De doorsnee bezoldigde vakman is ongeschikt om het Christus-mysterie,
allereerst in zijn wording, te verstaan. Wij zullen niettemin zijn arbeid
betrekkelijk waarderen. Te denken is hier in het bijzonder aan de
'modern-theologische richting', die de geestelijke vertolking was van
hetgeen leefde in de liberale bourgeoisie. De verstandige cultuur vond haar
tolk in Opzoomer met diens gematigd Positivisme. Mystieke belevingen waren
zeldzaam. Nu voor het zakendoend Nederland het nieuwe verscheen, was dit
toch ook alweer het oude: namelijk de verstandsverlichting van Voltaire, van
Nicolai en Reimarus.
Er kwam een zeker idealisme mee aan de liberale burgerij, dat de leuze van
de Revolutie met moderatie wilde voeren. Welnu, het idealisme, de culte van
de humaniteit etcetera, werd door kerkelijke mensen gechristianiseerd: God
was de macht van het goede, en het deugdzame in ons was zijn wet en onze
roeping. De verstandige en ethisch moderne theologen moesten zich wel
verhullen in een idealisme, dat het goddelijke goede in de natuur niet
ontdekken kon. Of zij moesten de kerk verlaten, zoals Pierson, Busken Huet
en Domela Nieuwenhuis. In zijn afscheidsrede werd door Nieuwenhuis het
willekeurig Jezusbeeld, dat de moderne richting zich allengs had gewrocht,
gekritiseerd, en ook Pierson kon het op de duur niet dulden.
Met Pierson begint dan ook een een radicale bespreking van het Nieuwe
Testament. Gelijk de zonen der Zestigers, als Tachtigers, revolutionair
worden in de waardering van de oude kunst, gelijk er optreedt een
revolutionair socialisme, als Nieuwenhuis de kerk verlaat, zo publiceert in
1878 Pierson zijn Bergrede, waarmede dan het tijdvak van de radicale kritiek
van de Nieuw-Testamentische geschriften wordt geopend. Zij had haar
voorgangers elders, men denke aan de mythologische methode van David
Friedrich Straus, aan Bruno Bauers Kritik der Evangelischen Geschichte
enzovoorts. Maar deze meesters vonden weinig weerklank in hun land. Holland,
dat sterk liberaal was door zijn handelsmensen, liet de radicaal vrij spel.
Want 'de waarheid is sterk en zij zal overwinnen.' Zij won het hart van
Loman, van Van Manen, van Van Loon, om maar enkelen te noemen. Dan volgt
Bolland men zijn lezenswaardige boeken en brochures, waarin een geweldige
kennis van gegevens zich aan geniale combinatie paart. Tegen de bezinning,
waar zij zich mocht voordoen, verzet men zich, ook al omdat men Bolland
haat. Bolland is de radicaal in theologicis. En verstandige mensen zijn nu
eens voor goed onredelijk en dus is hun ontzegd de kennis van de waarheid
van de Logos, dit is van het waarachtig Evangelie. Intussen heeft Albert
Schweitzer geschreven van de moderne historische theologie: 'Haar gehele
bezit is bedreigd; ze moet het schrede voor schrede hernieuwen of het
opgeven, en heeft geen recht meer tot het opstellen van enigerlei bewering,
zolang ze niet heeft stelling genomen ten aanzien van de nieuwere kritische
grondquesties.' En elders: 'Sedert ongeveer tien jaar is de moderne
historische theologie aldoor meer op de brede weg van het populariseren
geraakt; het is tijd, dat ze leert te twijfelen aan haar historische Jezus.'
De radicale kritiek is er. Een leek is in Holland, Hartogh Heys van
Zoutenveen, maar een leek die hard heeft gewerkt, en die in 1880 de door Dr.
de Lespinasse in 1856 gepubliceerde artikelen over de oorsprong van de
Godsdienst en Christendom heeft uitgebreid. Deze Dageraadsmannen verdienen
onze hulde. Over het algemeen was de Dageraad heel wat verder dan de
officiële theologie, al heeft hij niet steeds de religie naar behoren
gewaardeerd. In besprekingen van deze kant is dan voorondersteld het nog
altijd belangwekkende boek van Dupuis over de Oorsprong van alle
Godsdiensten en Volneys Ruïnes, met name de laatste hoofdstukken.
Een mythe is een dichterlijk verhaal, waarin een cultuur haar goddelijke
waarheid kleedt. Het is in de eerste plaats de Zon die men eert. Zo in Indïe,
in Babel, in Perzïe, in Voor-Azïe, zo in Egypte, waar het licht des daags
als Osiris of als Ammon-Ra werd begroet. In de theosofische cultus, die
Amenophis IV aan deze Ammon-Ra wijdde, is de god de energie, die de gehele
wereld doordringt, en die wereld is zijn 'geliefde Zoon', zoals de vorst
zijn incarnatie is. Door Thot aangekondigd gaat Ammon-Ra in tot de
koninklijke moeder. De engel der annunciatie, de geboorte uit 'Heilige
Geest' in de Evangeliën vindt hieraan zijn parallel. En reeds eeuwen
daarvoor is de Zon of is de Hemel als Vader opgevat, en dan is de aarde de
Moeder, die ontvangt: regen, licht en haar zoon, de nieuwe zomer, zal baren.
Voor Plato is de zon 'de Zoon Gods'. Het ondoorgrondelijk Licht, waaruit de
wereld voortkomt maar dat in tijd en ruimte is vertroebeld, heeft namelijk
zijn representant in de Zon.
Maar het meest interessant voor de verbinding van Joods en Grieks
geestesleven is Philo (geb.± 25 v.oj.) te Alexandrië. Platonisme en
Stoïcisme gaan bij hem samen met eerbied voor de Schrift: tussen het hoge
hemelse (God) en deze wereld heeft hij de idee of krachten ingelast, die hij
ineen denkt in de Logos. De Logos is, als bij Plato, het plan van alle
realiteit. Deze Logos is Gods eerstgeboren Zoon; hij is de wijsheid zelve.
Dit alles is in ons volbracht, als wij door de Logos zijn begiftigd met
begrijpen. Nu verstaan wij wat de mystiek bij Philo eigenlijk bedoelt: de
ziel beuren tot het ondoorgrondelijk licht. Sterk is hier de verwantschap
met de Mysteriën van de oudheid; met de Gnosis en het Christendom, zoals wij
het bijvoorbeeld vinden in het Johannes Evangelie, met name de Proloog.
Hoe dit alles ook zij, zeker zijn de antieke filosofie, voorzover zij stamt
uit Plato, en de Perzische dualiteitsleer in de Gnosis met elkaar verbonden.
Als men nu bedenkt dat die Gnosis door ons 'theosofie' werd genoemd,
begrijpt men dat zij dubieert tussen redelijke bezinning en mythologie. Voor
de Ouden immers is de Kosmos (het sieraad) een ornatus, een goddelijk kleed
en vooral de sterrenhemel wordt als dit kleed gezien. Hier ligt reeds een
vermenselijking van het AL. En dan ook: wanneer de mens microkosmos heet
'kleine wereld' dan kan de wereld omgekeerd 'de grote mens', macranthropos
geheten worden. Of in het Hebreeuws: Adam, en de Godheid is dus de hemelse
Adam, de hogere. Dan komt men er licht toe om te zeggen dat het hemelgewelf,
dat aan een schedel doet denken, het hoofd is. Zo kan de fantasie
voortspinnen, en lettende op de polariteit in de schepping (mannelijk en
vrouwelijk) het goddelijke als grond van die twee Man-Vrouw noemen. En als
het ook Vrouw is kan beweren: dat er is een baarmoeder waaruit alles geboren
is.
De Gnostiek, dat herinnert aan de Mysteriën der Oudheid, is de onmiddellijke
grondslag waarop het 'Evangelie' is onstaan. Niet de openbaring van het Oude
Verbond, waarin God als de grimmige gekend is, maar die van een Nieuw
Verbond dat hem doet kennen als Jehosjoea, Jésoes, als de Liefderijke
(invloed van humanistische stromingen) brengt vrede. Jozua (de opvolger van
de historisch geachte Mozes) wordt hier de antithese van de Wet. Jesoes is
bij Philo 'een naam voor de best mogelijke inborst.' Dat deze nieuwe God
Chrestos (Goed) heet spreekt vanzelf. Gewoonlijk is hij Christos het Griekse
woord voor Messias.
Stellig geven ons de Evangeliën een menselijker beeld van Christus, al is
dat van Johannes vol van herinneringen aan de preëxistente Logos. Dat weet
de echte Wijsheid en de zuivere religie ook. Met de diepe bespiegelingen van
een Spinoza, een Hegel, met de devotie van de Brahmanen, ja met mystici als
Scotus Erigena en Meister Eckehart weten zij het goddelijke als het
onnoemelijke, dat alle grenzen stelt en uitwist. Met Schopenhauer zijn zij
er zich bewust van, dat ons wezen blijft: het meer persoonlijke, terwijl het
individu een begrenzing is, die aan ruimte en tijd ten prooi valt. Ook
vatten zij waarom een Kant in zijn Religion ausserhalb der Grenzen der
reinen Vernunft, een Fichte in zijn Anweisungen zum seligen Leben, een
Schelling in zijn Vorlesungen, een Hegel in zijn Philosophie der Religion,
Christus suprahistorisch hebben opgevat.
Zeno's Politeia acht de echte Staat de Kosmos, welks burgers alle mensen
zijn; geld, huwelijk, rechtbanken zijn hier overbodig; De Rede is bij machte
een gemeenschap te vormen, die volk met volk verbinden zal. Ook de vrouw
heeft hier een onafhankelijke positie. De opvatting van de Stoa dat de mens,
deel heeft aan de kosmos, aan de Logos, dus lid is van een ideale
gemeenschap. Daar is immers de liefde geboren, de christelijke liefde, die
in de Alexandrijnse theosofie reeds aan het komen is. En de vrijheid meteen,
want: 'het koninkrijk Gods is binnen in u'. De Stoïsche wijze, die God is,
keert in de Evangelische Zoonsleer terug, met de theorie van Philo aangaande
de Logos.
Het oorspronkelijk Christendom is dus een mysteriedienst. De Gnosis of
kennis en de Pistis of het geloof zijn fasen van bewustwording. De Gnosis is
voor de enkelingen de geestelijken of pneumatici, de Pistis voor de menigte
die horende niet hoort, dus niet begrijpt. Is het te verwonderen dat dit
Christusmysterie met zijn communistisch ideaal, met zijn anarchie, met zijn
grootste liefde voor de verdrukten en beproefden, met zijn troost, de wereld
overwint? Het anarchisme dat niet onmiddellijk te begrijpen is voor
buitenstaanders, waar het verkondigt 'het Koninkrijk Gods', - de negatie van
de Staat (de Staat was Rome één en alles), de dienstweigeringsactie, het
schuwen van rechtelijke ambten enzovoort, - werd gesymboliseerd in de onwil
van de Christenen om de Caesar te aanbidden. Voor de Christen geen Wet,
enkel Genade; De Wet wekt zonden, de Heilige Geest brengt vernieuwing.
Te Rome is de Katholieke Kerk ontstaan. Wat oorspronkelijk allegorisch was
werd nu historisch, werd realiteit: de schare die de idealiteit niet beseft
als het waarachtige, die enkel zin heeft voor gebeurtenissen en de idee niet
kent, zij is gelokt door een katholieke orthodoxie die de oude Gnosis als
docetisch heeft verketterd. Bovenhistorisch eeuwigheids-kinderen zijn de
enkelingen, die de wereld verloochenen en hun eigen zelf, om een andere
wereld een dieper zelf te vinden. Zulk een geestelijke houding is dan
vanzelf anti-burgelijke cultuur: wie geen ambten vervullen wil, de
krijsdienst weigert, zich afzondert van de wereld, niet meedoet aan
processen en godsdienstige ceremoniën, wie geen orgaan heeft voor gezellige
fidele onderonsjes en wie dan verder armoe beter vindt dan rijkdom, hij/zij
negeert zo ongeveer alles wat men, met een eufemistisch woord beschaving
noemt.
|