Het Christus-mysterie

Een onderzoek naar de oorsprong en de esoterische betekenis van onze godsdienst
Selectie uit: Het Christus-mysterie. Een onderzoek naar de oorsprong en de esoterische betekenis van onze godsdienst
Dr. H.W.Ph.E. van den Bergh van Eysinga 1917
Reprint 2001 258 blz.
11,50 euro
ISBN 90-76033-07-2

De doorsnee bezoldigde vakman is ongeschikt om het Christus-mysterie, allereerst in zijn wording, te verstaan. Wij zullen niettemin zijn arbeid betrekkelijk waarderen. Te denken is hier in het bijzonder aan de 'modern-theologische richting', die de geestelijke vertolking was van hetgeen leefde in de liberale bourgeoisie. De verstandige cultuur vond haar tolk in Opzoomer met diens gematigd Positivisme. Mystieke belevingen waren zeldzaam. Nu voor het zakendoend Nederland het nieuwe verscheen, was dit toch ook alweer het oude: namelijk de verstandsverlichting van Voltaire, van Nicolai en Reimarus.
Er kwam een zeker idealisme mee aan de liberale burgerij, dat de leuze van de Revolutie met moderatie wilde voeren. Welnu, het idealisme, de culte van de humaniteit etcetera, werd door kerkelijke mensen gechristianiseerd: God was de macht van het goede, en het deugdzame in ons was zijn wet en onze roeping. De verstandige en ethisch moderne theologen moesten zich wel verhullen in een idealisme, dat het goddelijke goede in de natuur niet ontdekken kon. Of zij moesten de kerk verlaten, zoals Pierson, Busken Huet en Domela Nieuwenhuis. In zijn afscheidsrede werd door Nieuwenhuis het willekeurig Jezusbeeld, dat de moderne richting zich allengs had gewrocht, gekritiseerd, en ook Pierson kon het op de duur niet dulden. Met Pierson begint dan ook een een radicale bespreking van het Nieuwe Testament. Gelijk de zonen der Zestigers, als Tachtigers, revolutionair worden in de waardering van de oude kunst, gelijk er optreedt een revolutionair socialisme, als Nieuwenhuis de kerk verlaat, zo publiceert in 1878 Pierson zijn Bergrede, waarmede dan het tijdvak van de radicale kritiek van de Nieuw-Testamentische geschriften wordt geopend. Zij had haar voorgangers elders, men denke aan de mythologische methode van David Friedrich Straus, aan Bruno Bauers Kritik der Evangelischen Geschichte enzovoorts. Maar deze meesters vonden weinig weerklank in hun land. Holland, dat sterk liberaal was door zijn handelsmensen, liet de radicaal vrij spel. Want 'de waarheid is sterk en zij zal overwinnen.' Zij won het hart van Loman, van Van Manen, van Van Loon, om maar enkelen te noemen. Dan volgt Bolland men zijn lezenswaardige boeken en brochures, waarin een geweldige kennis van gegevens zich aan geniale combinatie paart. Tegen de bezinning, waar zij zich mocht voordoen, verzet men zich, ook al omdat men Bolland haat. Bolland is de radicaal in theologicis. En verstandige mensen zijn nu eens voor goed onredelijk en dus is hun ontzegd de kennis van de waarheid van de Logos, dit is van het waarachtig Evangelie. Intussen heeft Albert Schweitzer geschreven van de moderne historische theologie: 'Haar gehele bezit is bedreigd; ze moet het schrede voor schrede hernieuwen of het opgeven, en heeft geen recht meer tot het opstellen van enigerlei bewering, zolang ze niet heeft stelling genomen ten aanzien van de nieuwere kritische grondquesties.' En elders: 'Sedert ongeveer tien jaar is de moderne historische theologie aldoor meer op de brede weg van het populariseren geraakt; het is tijd, dat ze leert te twijfelen aan haar historische Jezus.'

De radicale kritiek is er. Een leek is in Holland, Hartogh Heys van Zoutenveen, maar een leek die hard heeft gewerkt, en die in 1880 de door Dr. de Lespinasse in 1856 gepubliceerde artikelen over de oorsprong van de Godsdienst en Christendom heeft uitgebreid. Deze Dageraadsmannen verdienen onze hulde. Over het algemeen was de Dageraad heel wat verder dan de officiële theologie, al heeft hij niet steeds de religie naar behoren gewaardeerd. In besprekingen van deze kant is dan voorondersteld het nog altijd belangwekkende boek van Dupuis over de Oorsprong van alle Godsdiensten en Volneys Ruïnes, met name de laatste hoofdstukken.

Een mythe is een dichterlijk verhaal, waarin een cultuur haar goddelijke waarheid kleedt. Het is in de eerste plaats de Zon die men eert. Zo in Indïe, in Babel, in Perzïe, in Voor-Azïe, zo in Egypte, waar het licht des daags als Osiris of als Ammon-Ra werd begroet. In de theosofische cultus, die Amenophis IV aan deze Ammon-Ra wijdde, is de god de energie, die de gehele wereld doordringt, en die wereld is zijn 'geliefde Zoon', zoals de vorst zijn incarnatie is. Door Thot aangekondigd gaat Ammon-Ra in tot de koninklijke moeder. De engel der annunciatie, de geboorte uit 'Heilige Geest' in de Evangeliën vindt hieraan zijn parallel. En reeds eeuwen daarvoor is de Zon of is de Hemel als Vader opgevat, en dan is de aarde de Moeder, die ontvangt: regen, licht en haar zoon, de nieuwe zomer, zal baren. Voor Plato is de zon 'de Zoon Gods'. Het ondoorgrondelijk Licht, waaruit de wereld voortkomt maar dat in tijd en ruimte is vertroebeld, heeft namelijk zijn representant in de Zon.
Maar het meest interessant voor de verbinding van Joods en Grieks geestesleven is Philo (geb.± 25 v.oj.) te Alexandrië. Platonisme en Stoïcisme gaan bij hem samen met eerbied voor de Schrift: tussen het hoge hemelse (God) en deze wereld heeft hij de idee of krachten ingelast, die hij ineen denkt in de Logos. De Logos is, als bij Plato, het plan van alle realiteit. Deze Logos is Gods eerstgeboren Zoon; hij is de wijsheid zelve. Dit alles is in ons volbracht, als wij door de Logos zijn begiftigd met begrijpen. Nu verstaan wij wat de mystiek bij Philo eigenlijk bedoelt: de ziel beuren tot het ondoorgrondelijk licht. Sterk is hier de verwantschap met de Mysteriën van de oudheid; met de Gnosis en het Christendom, zoals wij het bijvoorbeeld vinden in het Johannes Evangelie, met name de Proloog. Hoe dit alles ook zij, zeker zijn de antieke filosofie, voorzover zij stamt uit Plato, en de Perzische dualiteitsleer in de Gnosis met elkaar verbonden. Als men nu bedenkt dat die Gnosis door ons 'theosofie' werd genoemd, begrijpt men dat zij dubieert tussen redelijke bezinning en mythologie. Voor de Ouden immers is de Kosmos (het sieraad) een ornatus, een goddelijk kleed en vooral de sterrenhemel wordt als dit kleed gezien. Hier ligt reeds een vermenselijking van het AL. En dan ook: wanneer de mens microkosmos heet 'kleine wereld' dan kan de wereld omgekeerd 'de grote mens', macranthropos geheten worden. Of in het Hebreeuws: Adam, en de Godheid is dus de hemelse Adam, de hogere. Dan komt men er licht toe om te zeggen dat het hemelgewelf, dat aan een schedel doet denken, het hoofd is. Zo kan de fantasie voortspinnen, en lettende op de polariteit in de schepping (mannelijk en vrouwelijk) het goddelijke als grond van die twee Man-Vrouw noemen. En als het ook Vrouw is kan beweren: dat er is een baarmoeder waaruit alles geboren is.

De Gnostiek, dat herinnert aan de Mysteriën der Oudheid, is de onmiddellijke grondslag waarop het 'Evangelie' is onstaan. Niet de openbaring van het Oude Verbond, waarin God als de grimmige gekend is, maar die van een Nieuw Verbond dat hem doet kennen als Jehosjoea, Jésoes, als de Liefderijke (invloed van humanistische stromingen) brengt vrede. Jozua (de opvolger van de historisch geachte Mozes) wordt hier de antithese van de Wet. Jesoes is bij Philo 'een naam voor de best mogelijke inborst.' Dat deze nieuwe God Chrestos (Goed) heet spreekt vanzelf. Gewoonlijk is hij Christos het Griekse woord voor Messias.
Stellig geven ons de Evangeliën een menselijker beeld van Christus, al is dat van Johannes vol van herinneringen aan de preëxistente Logos. Dat weet de echte Wijsheid en de zuivere religie ook. Met de diepe bespiegelingen van een Spinoza, een Hegel, met de devotie van de Brahmanen, ja met mystici als Scotus Erigena en Meister Eckehart weten zij het goddelijke als het onnoemelijke, dat alle grenzen stelt en uitwist. Met Schopenhauer zijn zij er zich bewust van, dat ons wezen blijft: het meer persoonlijke, terwijl het individu een begrenzing is, die aan ruimte en tijd ten prooi valt. Ook vatten zij waarom een Kant in zijn Religion ausserhalb der Grenzen der reinen Vernunft, een Fichte in zijn Anweisungen zum seligen Leben, een Schelling in zijn Vorlesungen, een Hegel in zijn Philosophie der Religion, Christus suprahistorisch hebben opgevat.
Zeno's Politeia acht de echte Staat de Kosmos, welks burgers alle mensen zijn; geld, huwelijk, rechtbanken zijn hier overbodig; De Rede is bij machte een gemeenschap te vormen, die volk met volk verbinden zal. Ook de vrouw heeft hier een onafhankelijke positie. De opvatting van de Stoa dat de mens, deel heeft aan de kosmos, aan de Logos, dus lid is van een ideale gemeenschap. Daar is immers de liefde geboren, de christelijke liefde, die in de Alexandrijnse theosofie reeds aan het komen is. En de vrijheid meteen, want: 'het koninkrijk Gods is binnen in u'. De Stoïsche wijze, die God is, keert in de Evangelische Zoonsleer terug, met de theorie van Philo aangaande de Logos.
Het oorspronkelijk Christendom is dus een mysteriedienst. De Gnosis of kennis en de Pistis of het geloof zijn fasen van bewustwording. De Gnosis is voor de enkelingen de geestelijken of pneumatici, de Pistis voor de menigte die horende niet hoort, dus niet begrijpt. Is het te verwonderen dat dit Christusmysterie met zijn communistisch ideaal, met zijn anarchie, met zijn grootste liefde voor de verdrukten en beproefden, met zijn troost, de wereld overwint? Het anarchisme dat niet onmiddellijk te begrijpen is voor buitenstaanders, waar het verkondigt 'het Koninkrijk Gods', - de negatie van de Staat (de Staat was Rome één en alles), de dienstweigeringsactie, het schuwen van rechtelijke ambten enzovoort, - werd gesymboliseerd in de onwil van de Christenen om de Caesar te aanbidden. Voor de Christen geen Wet, enkel Genade; De Wet wekt zonden, de Heilige Geest brengt vernieuwing.

Te Rome is de Katholieke Kerk ontstaan. Wat oorspronkelijk allegorisch was werd nu historisch, werd realiteit: de schare die de idealiteit niet beseft als het waarachtige, die enkel zin heeft voor gebeurtenissen en de idee niet kent, zij is gelokt door een katholieke orthodoxie die de oude Gnosis als docetisch heeft verketterd. Bovenhistorisch eeuwigheids-kinderen zijn de enkelingen, die de wereld verloochenen en hun eigen zelf, om een andere wereld een dieper zelf te vinden. Zulk een geestelijke houding is dan vanzelf anti-burgelijke cultuur: wie geen ambten vervullen wil, de krijsdienst weigert, zich afzondert van de wereld, niet meedoet aan processen en godsdienstige ceremoniën, wie geen orgaan heeft voor gezellige fidele onderonsjes en wie dan verder armoe beter vindt dan rijkdom, hij/zij negeert zo ongeveer alles wat men, met een eufemistisch woord beschaving noemt.

Deze pagina's zijn gemaakt door
ibiz webdesign ©
contact@ibizweb.nl