In de verhandeling van Jan Börger tekent zich een filosofische rode draad af die verweven is met het Griekse mythologische en wijsgerige denken. In de filosofie van Börger vertegenwoordigt het begrip vrouwelijk het ware omtrent het universele geheel. Het vrouwelijke karakteristiek gedacht als het maagdelijk algemene beginsel, dat in de mythologie een belangrijke rol speelt (Demeter/Aphrodite), is welbegrepen het aanvangsloze 'oerbeginsel' van de universele werkelijkheid die uit zichzelf voortbrengt. In filosofisch opzicht is het mannelijke (de Logos) aanvankelijk het wezenlijk inhoudelijke van deze universele (vrouwelijke) werkelijkheid, namelijk als het andere van zichzelf. Het maagdelijke beginsel is derhalve dan ook slechts gevoelsmatig en/of intellectueel toegankelijk en blijft dus maagdelijk want kan alleen filosofisch ofwel geestelijk ontsloten worden. Het vrouwelijke vertegenwoordigt in de Griekse cultuur het begrip waarheid die samenvalt met het begrip schoonheid en culmineert in de mannelijke bevangenheid. Uiteindelijk vindt in de Griekse mysteriën en in de filosofie, die nadien uitkristalliseren in de oorspronkelijk evangelische wijsheidsgedachte (het Kind), een intellectualisering plaats van het animistische en symbolische denken. Börger wijst op de betekenis van de tweede evangelische Drie-eenheid namelijk, de Heilige Geest, de Maagd en het Kind (de Zoon des Mensen). Deze drie-eenheidsgedachte heeft begripmatig zowel een intellectuele alsmede een sexuele inhoud en staat in het teken van de geestelijke conceptie en openbaring. Een voorafschaduwing hiervan zien we in de verhouding van drie Griekse figuren met name, Aphrodite, Priapos en Dionysos. Ook zij vormen de begripmatige metafoor van het (zelf)bewust-zijn betreffende het zijn van de werkelijkheid De mythologische en de evangelische teksten berusten derhalve op een inkleding van verbeelding en verhoudingen die een innerlijke waarheid uitdrukken van het wezen en zijn van de universele werkelijkheid. De renaissance dichter en benedictijner monnik Petrus Berchorius (± 1290-1362) wijst op de allegorische opvattingen van de mythologie: Onder de schors van de schone verbeelding is verdichte waarheid te vinden. Hij signaleert karakteristieke overeenkomsten tussen Dionysos en de Christusfiguur; Dionysos prefigureert de Christusfiguur, is daarvan een voorafschaduwing. In de evangelische Christus (de Logos) intellectualiseert zich de inhoud van het mysteriedenken. De Griekse wijsgeer Plato (430-348) spreekt in zijn Polis van de Chrèstos, dat betekent de rechtvaardige ofwel de bruikbare. Het rechtvaardige ofwel redelijk denken wordt echter in de alledaagse wereld afgewezen. Evenals in de Evangeliën berust de tekst van de Polis deels op beeldspraak en gelijkenissen. In het tweede boekdeel geeft Plato een eerste versie van de vervolgde Chrèstos. Deze tekst ligt ten grondslag aan wat later de toonzetting zal worden van het evangelische lijdensverhaal. In de vertaling van de Leidse filosoof Bolland (1854-1922) lezen we in de betreffende platonische tekst: "In die gesteldheid zal de Rechtvaardige worden gegeseld, gepijnigd, gebonden; de ogen zullen hem worden uitgestoken en tenslotte zal hij na verduring van al dat lijden aan de schandpaal worden geslagen". In de Chrèstos wordt het rechtvaardige derhalve als waarheid getekend, en is op zich gedacht dus geen persoon maar berust op een filosofische kwaliteit. In de Jezusfiguur wordt getekend de Zoon des Mensen waarin de Chrèstos, ofwel de waarheid, zichzelf kwalificeert en weerspiegelt. De joods-hellenistische wijsgeer Philo van Alexandrië (± 20 v. -50 n.o.j.) heeft de Logos zinnebeeldig gedefinieerd als de Zoon van God. Hij zegt in een opmerkelijke uitspraak: "De natuur is het kleed van de Logos. Philo noemt de wijsgeer/of de menselijke ziel een kopie van de hemel, die zich op de vleugelslag van de waarheid verheft naar de hemel. In de later geschreven Evangeliën, geënt op zijn gedachtengoed, blijkt dus de gepersonifieerde Jezus Christusfiguur een metafoor van de Waarheid te zijn, en derhalve te herleiden op Philo's platonische inzichten. Overigens is in Philo's geschriften geen enkele verwijzing te vinden naar een historische Jezus Christusfiguur, die van Philo nota bene een tijdgenoot zou zijn geweest. Want wanneer de opzienbarende verhalen zich historisch zouden hebben afgespeeld, dan zou Philo daar zeker melding van hebben gemaakt. Doch de wereld van Philo en de Evangeliën bewegen zich in de sfeer van een beschouwende wijsbegeerte die zich intellectualiseert in de vorm van de metafysische logica. Welbeschouwd is er dan volgens Börger sprake van de werkelijkheid als zelf-bewust-zijn. Door het uitwerken van deze gedachte heeft Börger meer inhoud gegeven aan het hegeliaanse denken en staat hij als Nederlandse filosoof op eenzame hoogte. De mens als bewustzijnswezen is zijns inziens door en door verhouding, die tot zichzelf in verhouding staat en vertegenwoordigt vandaaruit gezien de werkelijkheid als zelfweerspiegeling. Die mensen waarin intellectualiteit en erotiek zich dialectisch/filosofisch verhouden, en dat is de werkelijke liefde, vallen samen met het evangelische begrip van het Verlorene. Hun belevingswereld is niet die van deze gangbare wereld waarin de materiële dingen het beeld bepalen van de eenzijdige lustbevrediging. De Verlorenen staan in het aangezicht van het eeuwig waarachtige. Vanuit de tijdelijkheid van hun zelfbewust-zijn verkeren zij in een gesteldheid van een deels tijdloos verwijlen. Deze zelfverkering is de Dionysische roes van een verdroomde wereld: Hegel spreekt van de Bacchantische tuimel.. Het tijdelijke is een afspiegeling van het eeuwige. Dat is de werkelijke betekenis van het Woord of de eeuwige Logos. De eeuwige Logos is de structurele en inhoudelijke waarheid omtrent de werkelijkheid ofwel het heelal. Als lichamelijk organisme is de Logos vlees geworden en komt in het organische brein tot gedachte en bewustzijn en woont dus in de mens. De mens is de wandelende waarheid en daaraan inhoud geven doet hem toeven op de Olympus, waar volgens de Griekse mythologie de goden zetelen. Het creatieve denken is de kunst van het filosoferen en van cultureel levensbelang voor de mens. Duitslands grote dichter Goethe merkte ooit eens op dat het gevoel alles is. Dat ontlokte aan Bolland de verzuchting: "Ach Goethe, hij is een slaapwandelaar op de Olympus!" Hopelijk zal door deze aangeboden verhandeling van Jan Börger een enkele slaapwandelaar tot een ontwaken en inzicht komen. Hierbij bedenkende: "Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren", (Matth.20-16). Tot troost zegt het Evangelie: "Ik zal ze allen tot mij trekken", (Joh. 12-32). Want, zij het onbewust, ieders bewustzijn berust op spiegeling en is ontvankelijk voor waarachtige schoonheid . Zie voor een recensie: Eeuwigheidszang der verloreen |
Deze pagina's zijn gemaakt door
ibiz webdesign ©
contact@ibizweb.nl