Guy de Gelder, een bezielde connaisseur van de moderne experimentele eigentijdse kunst uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. Door Jeanine Bastian

 

De filosoof Guy de Gelder, een fervent Hegel-aanhanger, stelde in zijn Wijsgerige studiën dat de Westerse cultuur in de jaren vijftig van de twintigste eeuw op sterven na dood was. Er diende een geheel nieuwe cultuur te komen. Die nieuwe leefstijl moest wel principieel van het wezen van de Westerse Europese beschaving te onderscheiden zijn. De Westerse civilisatie was volgens de Gelder teveel op het denken gericht geweest. Na de Tweede Wereldoorlog was er een twijfel aan bepaalde zekerheden gekomen, juist omdat het accent te langdurig op de verstandelijke invalshoek was gelegd. Het gevoel en de spiritualiteit dienden weer ruimte te krijgen. Daarnaast geloofde de Gelder sterk in het kosmische proces, waarin het zelfbewustzijn als zuiver begrip zichzelf ophief en verhief tot bewustzijn van haar wezen.

De uitweg zag de Gelder in de kracht en de macht van de geestelijke gevoelswereld om tot de werkelijkheid door te dringen. De individuele mens moest daarin wijken voor de gemeenschap. Waar en door welke mensen, of groep van mensen, dit proces ontketend zou worden was in die tijd nog onbekend, maar volgens de Gelder zouden zij een totaal nieuwe leefstijl aan het licht brengen. Het geestelijke- en natuurlijke leven en samenleven van de mensen zou volgens hem op deze manier een kunstwerk worden.

De persoon Guy de Gelder

Guy Marius de Gelder werd in Courbevoie, nabij Parijs, op 1 oktober 1900 geboren. Hij vestigde zich in Nederland, volgde in Rotterdam de H.B.S. en deed eindexamen in 1918. Vervolgens studeerde hij drie jaar aan der Technische Hogeschool in Delft en was daarna werkzaam bij de Rotterdamsche Droogdokmaatschappij. Dit was kennelijk toch niet helemaal wat hij ambieerde. De Gelder begon daarna colleges te lopen aan de universiteit. In 1926 ging hij Sociale- en Politieke geschiedenis, godsdienst, kunst en wijsbegeerte studeren. Tijdens de zware economische crisis van de jaren dertig wist hij geregeld voordrachten en cursussen te geven voor particulieren en voor verenigingen die op godsdienstige leest geschoeid waren. Wellicht zocht hij werk dat hem meer aansprak. De meest voor de hand liggende veronderstelling is dat hij naar (financiële) mogelijkheden zocht om zich verder te kunnen ontplooien. De Gelder was enorm geboeid door alles wat met wijsbegeerte, moderne kunst, techniek, Russische schrijvers en Hegel te maken had. Inmiddels had hij een zeer divers aanbod aan voordrachten en cursussen voorbereid om aan een geïnteresseerd publiek te geven.1 Onderwerpen van deze voordrachten en cursussen waren:

- De logisch-historische ontwikkeling van het wijsgeerige denken

- Russische denkers

- Het ontstaan van het Christendom 

- Godsdienst, kunst en Wijsbegeerte in West-Europa

- De cultureele beteekenis van Shakespeare aan de hand van zijn groote drama's

- De cultureele beteekenis van Dostojewski aan de hand van zijn groote romans

- De West-Europese cultuur en haar hedendaagsche crisis

- Het evangelie van Johannes

- Grieksche denkers

- De culturen der Oudheid

- De Christelijke religie

- De philosophie van Hegel

- De verhouding van de West-Europeesche en de Russische cultuur tot het evangelie

- Klassieke Russische schrijvers

- De verhouding tusschen man en vrouw

- Begrepen leven en levend begrip

- De onhoudbaarheid van het Existentialisme.
Overigens zou hij deze werkzaamheden ten aanzien van voordrachten bijna zijn hele leven blijven voortzetten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was De Gelder ondergedoken. Na de oorlog ging hij zich verdiepen in de Indische filosofie en vertrok naar India om daar verschillende Ashrams (centra voor geestelijke ontwikkeling) te bezoeken. In India deed hij de ervaringen op die later zouden uitmonden in zijn Proefschrift: "Van het redelijke zijnsbegrip naar de spirituele zijnservaring"2 Gepubliceerde werken als Artikel:

- Crisisverschijnselen van onze moderne cultuur (in: Denken en Leven, 1939)

- Het probleem der onsterfelijkheid (in: Het Terras, 1946, no. 1) - Intellectualiteit en spiritualiteit (in: Het Terras, 1946, no. 2-3)
Gepubliceerde Boeken:

- Russische Denkers (1934)

- West-Europa (1937) -Shakespeare en Dostojewski (1940)

- De Philosophie van Hegel (1936)

- De Christelijke Religie (1942)

- De West-Europeesche schilderkunst (1950)

Wijsgerige studiën (1950)
- Schuld en Boete in de Klassieke Russische Letterkunde (1952)

- DE Mensch en de Techniek (1956).

De Gelders fascinatie voor Hegel was sterk, hij publiceerde over Hegels filosofie in 1936. Zijn interesse in en kennis over Hegel brachten hem in contact met het Bolland Genootschap voor Zuivere Rede. Dit Genootschap in Amsterdam werd bij besluit in 1948 aangewezen om bij de faculteit der Letteren en Wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit in Leiden een bijzondere leerstoel te vestigen, met een aangestelde hoogleraar Wijsbegeerte in de geest van Hegel. Guy de Gelder werd secretaris van de Bolland Stichting, en naar later bleek, om hier contacten te leggen om zelf hoogleraar Onderwijs te kunnen worden voor de bijzondere leerstoel in de wijsbegeerte in Leiden.

De bijzondere leerstoel: een moeilijke wending.

In September 1948 werd de kandidatuur opengesteld voor de bijzondere leerstoel in Leiden. Guy de Gelder had zich ook als kandidaat ter benoeming gesteld maar hij had helaas geen academische titel. Professor Van den Bergh van Eysinga heeft de Gelder als goed Hegel kenner naar voren gebracht. De Gelders verzoek werd afgewezen, tot twee keer toe. In een krantenbericht was te lezen: 'De Kroon heeft opnieuw geweigerd de benoeming te bekrachtigen van de heer G.M. de Gelder tot bijzonder hoogleraar in Leiden vanwege het Bolland-Genootschap. De weigering was gebaseerd op Artikel 132 van de wet op het Wetenschappelijk Onderwijs waarbij een doctoraal werd vereist, die verkregen moest zijn aan een Nederlandse Universiteit.
De Kroon meende, dat geen van de geschriften van de heer de Gelder van zodanige aard en kwaliteit konden worden geacht, dat daarop de doctorstitel zou kunnen worden verkregen.
Het Bolland-Genootschap betoogde hiertegenover dat de Gelder een uitgebreide kennis van de wijsbegeerte bezat en in het bijzonder in die van Hegel. Professor Van den Bergh van Eysinga heeft daarna te kennen gegeven dat Guy de Gelder de geschikte opvolger zou zijn van Professor Bruyn. Het Bolland-Genootschap heeft de Kroon vervolgens verzocht haar besluit om de benoeming van bijzonder hoogleraar te weigeren, te herzien.
De Raad van State en de Commissie, verwezen naar ex art. 201 der Hoger Onderwijs wet, maar ook de Rijksuniversiteit in Leiden waren allen van oordeel dat deze benoeming niet voor bekrachtiging in aanmerking kon komen. De Kroon heeft op deze gronden afwijzend beschikt op het herzieningsverzoek.

In December 1948 werd Dr. J.C. Bruyn aangesteld als hoogleraar in de Wijsbegeerte in Leiden. Intussen was Guy de Gelder ook actief in het sociale kunstnetwerk in den Haag en omstreken. Hij gaf lezingen en cursussen. Bij de Haagsche Kunstkring verzorgde hij verschillende speeches bij openingstentoonstellingen. Zo gaf hij uiteenzettingen bij de tentoonstellingen over Moderne Realisten in 1947 en 1949. Op deze wijze bouwde de Gelder een netwerk op met verschillende eigentijdse kunstenaars in den Haag en Rotterdam.

Ontslagprocedure?

In 1957 werd de hoogleraar wijsbegeerte in Leiden, Professor J.C. Bruyn, ziek. Guy de Gelder probeerde via zijn kontakten een ontslagprocedure te gaan starten om de plaats van hoogleraar in de wijsbegeerte in Leiden vacant te krijgen. Hij schreef een brief aan Dr. P.C. Meerum Terwogt om deze procedure in gang te zetten. Dat viel niet in goede aarde. Dr. Meerum Terwogt zocht daarop kontakt met Prof. Van den Bergh van Eysinga. Hij vermeldde in zijn brief: "Professor Bruyn heeft wegens ernstige ziekte dit lopende studiejaar nog geen colleges kunnen geven. De Gelder doet het verzoek aan Bestuur en leden van de Raad van Toezicht een vergadering te beleggen om te bespreken of het niet nodig is een plaatsvervanger voor Professor Bruyn aan te stellen en Professor Bruyn te verzoeken ontslag te nemen om een nieuwe hoogleraar te benoemen. De heer de Gelder weet absoluut niet het verloop van de ziekte dus het is zeer voorbarig nu al het idee te opperen om alvast ontslag te nemen. Een ontslagaanvrage hoort van Professor Bruyn zelf uit te gaan."

Intussen had Dr.P.C.E. Meerum-Terwogt al een brief op 28 Januari 1958 van Professor Bruyn ontvangen dat hij nog geen college had kunnen geven, maar misschien wel weer kon doceren vanaf Maart of April 1958. Aldus geschiedde. De Gelder zag zijn kans voorbijgaan. Het was bij hem alles of niets.
De Gelders bezieling ging zo ver dat hij op zestigjarige leeftijd nog een academische studie aanving. In 1963 begon de Gelder in Amsterdam aan een studie in de wijsbegeerte. Drie jaar later behaalde hij het doctoraal examen. Vrij snel daarna promoveerde hij in Groningen bij Professor Delfgauw als promotor, op het proefschrift: "Van het redelijk zijnsbegrip naar de spirituele zijnservaring". Toen de Gelder eenmaal gekwalificeerd was om in aanmerking te kunnen komen voor de Bolland leerstoel, stierf de Hegel kenner enkele weken later na het beëindigen van zijn proefschrift.

Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831).

De Duitse filosoof Wilhelm Friedrich Hegel was de grondlegger van het Duitse Idealisme. Dit was een filosofische stroming in de late 18e en vroege 19e eeuw, die nauw verbonden was met de Romantiek en de ideeën van de Verlichting. Hegel ontwikkelde een gedegen filosofisch kader in de geest van Immanuel Kant voor de ontwikkeling en samenwerking tussen onderwerpen als 'de Geest versus de Natuur', of 'het Object versus het Subject' wat betreft wetenschap, religie, kunst en psychologie. Deze filosoof legde vooral de nadruk op het Dualisme ofwel contrasterende punten die uiteindelijk zouden samengaan. Deze vorm van synergie zou daarbij de contrasterende tegenpolen niet tekort doen maar hen in hun waarde laten. Hegel verstond onder de werkelijkheid meer dan uiterlijke existentie. Vooral het zelfbewustzijn en de vrijheid stonden bij hem centraal.

De door hem ontwikkelde dialectiek als 'het wezen van de rede', beschouwde hij als de enige ware methode van denken, hoewel Hegel zelf erkend heeft dat zijn dialectische methode: 'vieler Durchbildung im Einzelnen fähig ist'. 3Hegel, W.F., De wetenschap van de Logica (1813), deel III, p.39.Zijn Pantheïstische denkbeelden vonden in zijn tijd veel weerklank. Daarmee werd Hegel een belangrijke inspiratiebron voor het Marxisme en het Existentialisme.

Irreële kunst

Anders dan in de natuurwetenschappen, die een causale samenhang verklaren, is er in de geesteswetenschappen primair sprake van het begrijpen van de betekenis. Het Westerse wetenschappelijke en filosofische denken is gebaseerd op de logica, maar met alleen de logica valt in de filosofie niet alles te verklaren. Zo zou er een bovenzintuiglijke wereld van ideeën bestaan. Filosofen als Guy de Gelder erkenden dat er andere denkwijzen waren, mystiek en intuïtie zagen zij als gangbare kennisbronnen. Naast de filosofie konden deze kennisbronnen ook toegepast worden op de kunstexpressie, zo was de intuïtie bijvoorbeeld het uitgangspunt voor de irreële kunst. Kunstenaars uitten zich in vrije vormen naar hun psychologische aard. Enerzijds ontplooiden de ideeën zich spontaan, anderzijds konden ideeën ook een contemplatief karakter hebben en tot uitdrukking komen in een vorm van zelfbezinning. Dit tezamen vormden de irreële autonome kunst.
Een manier om met het irreële om te gaan, was haar te benaderen vanuit meerdere invalshoeken, zoals in de Oosterse filosofieën al eeuwen gebeurde. Het symbolische karakter van de kunst leende zich hier heel goed voor. De irreële kunst toonde bijvoorbeeld tekens. Wanneer deze tekens ontbraken, was een schilderij vaak onleesbaar voor zijn betekenis, dan neigde het naar het betekenisloze. Het irrationele tekenkarakter kwam tot uitdrukking in een metaforische uitbeelding. Hiermee stegen de tekens boven hun begrip uit, zij verwezen naar betekenissen die ontsprongen waren aan de vrije verbeelding of de gevoelsmatige intuïtie.

Kijken we naar de abstracte kunst, dan zien we dat zich enkele jaren na 1945 een splitsing voltrok in een geometrische- en lyrische abstracte richting. De abstractie had rond die tijd meer moeite gekregen met het begrip spiritualiteit. Toen Wassily Kadinsky in 1912 zijn : 'Spiritual in Art' publiceerde, probeerde hij het spirituele uit te drukken in het zoeken naar abstractie in de kunst. Kandinsky zocht naar een innerlijke noodzaak om spiritualiteit in abstractie te laten manifesteren. Zijn gebruik van abstracte vormen (vibraties) en kleuren hadden tot doel de toeschouwers te raken en elke individuele ziel te ontroeren. Kunst werd in de beginperiode van Kandinsky gezien als één van de machtigste elementen in het spirituele leven.

Hoe waren de opvattingen van Guy de Gelder ten aanzien van de moderne eigentijdse kunst?

In de vele lezingen over moderne kunst sprak Guy de Gelder regelmatig over de psychische en mythische aspecten in (de ontplooiing van) het zelfbewustzijn. De kunstenaar zou meer van zijn intuïtie uit moeten gaan om vrije kunstwerken te kunnen maken. De Gelder zag de zingeving van de kunst als bevrijding en vrijheid. Dat was de eigenlijke schoonheid van het kunstwerk. De kleur symboliseerde hierbij het 'geestelijke', een verwijzing naar Kandinsky's methode van abstracte kleurweergave.
Het ging in de kunst niet alleen om uitdrukking van subjectieve gevoelens, maar eveneens om de verbeelding van het eigen bewustzijn, eigenlijk als het wezen van de dingen zelf. In die zin kreeg het kunstwerk de werkelijke objectiviteit, dat wel onderscheidden moest worden van de uiterlijke 'natuurlijke' nabootsing.
De Gelder had als opvatting dat het in de eigentijdse kunst niet ging om L'Art pour L'Art, maar een beeld te scheppen om een 'min of meer waarheidsbewustzijn' te ontplooien.4De Gelder, G.M., Wijsgerige Studiën, p. 120.

'Het beeld is de werkelijke kunst uit de geest ontsprongen, door de geest voortgebracht en voor de geest bedoeld'.5De Gelder, G.M., Wijsgerige Studiën, p. 121.

De problemen die hij opmerkte bij de kunst uit zijn tijd waren voornamelijk gelegen in de steriliteit van de geometrische abstractie en de 'onvrijheid' van de verbeelding door nabootsing van de natuur in kunstwerken. Dit was te wijten aan de dominerende positie van het verstandelijke denken.
Enerzijds was de nabootsing van de natuur in een uitbeelding wel een kundig werkstuk maar geen kunstwerk te noemen.6De Gelder, G.M.,Wijsgerige Studiën, p. 126. Anderzijds werd er in de absoluut abstracte kunst, de kunst zelf ontkend omdat in de uitbeelding zelfs het indirecte verband met een natuurlijk voorbeeld was opgeheven.
Als oplossing voor deze problemen zou er gezocht moeten worden naar een nieuwe wijze van uitbeelden. Een nieuw besef in de verhouding tussen het natuurlijke en het geestelijke. Het subjectieve bewustzijn zou hierdoor verder ontwikkeld moeten worden. Dat laatste zou niet het geval kunnen zijn zolang de mens zichzelf en de wereld 'verstandelijk' zou blijven bezien. Het verstand miste namelijk de volledigheid van de totaliteit van de werkelijkheid.7De Gelder, G.M., Wijsgerige Studiën, p. 129.
De Gelder zocht de oplossing in het stimuleren van het psychisch bewustzijn door het meer te laten beleven en ervaren. Het psychisch bewustzijn zou op die manier gericht zijn op het totale of volledige zelfbewustzijn. De vrije uitbeelding in de kunstwerken zouden echter niet direct door onze zintuigen of verstand te begrijpen zijn. De toeschouwer zou zijn/haar innerlijke concentratie en contemplatie moeten activeren. Pas dan konden deze werken als 'tekens en signalen' worden gezien van een hogere wereld, die in de zaken en in de mens zelf schuilgaan. Het leven van de ziel, uitgedrukt op een mystieke magische wijze, zou daarmee de hoogste vorm van het zelfbewuste denken oproepen. Hegel maakte dit al duidelijk in zijn Aesthetica.

Aesthetica., X, 1, 40:

Das allgemeine und absolute Bedürfniss, aus dem die Kunst quillt, findet seinen Ursprung darin, dass der Mensch 'denkendes' Bewusstseyen ist, das heißt daß Er, was Er ist und was überhaupt ist, aus sich selbst 'für sich' macht.

Samenvattend was De Gelder een oprecht bezielde connaisseur van de moderne experimentele eigentijdse kunst na 1945. Of de nieuwe cultuur waar de Gelder naar verlangde daadwerkelijk gekomen én gebleven is, daarover zijn de meningen verdeeld.
Veel van wat de revue passeerde voltrok zich in de persoonlijke sfeer en is niet gedocumenteerd. De lezingen, bijeenkomsten en gesprekken bleven alleen voortleven in de herinneringen van de betrokkenen en waren de levendige bron van hun idealen.


Literatuur

    De Archivalia van Guy de Gelder || Universiteitsarchieven UB, Leiden.
  • - Archief College van Curatoren / College van Bestuur 1952-1989, nrs. 442-443.
  • - Archief Rector Magnificus en Senaat, 1875–1972, nrs. 126, 128

Jeanine Bastian

Deze pagina's zijn gemaakt door
ibiz webdesign ©
contact@ibizweb.nl