Vader Jacob, Slaapt Gij nog ?
Reactie op Jan Voorwinden,
naar aanleiding van een artikel
in de Vrije Gedachte.


Vergeef mij de aanhef, maar die schoot door mijn hoofd toen ik de reactie las van Jan Voorwinden op mijn artikel: Hoe komt God in de filosofie? (De Vrije Gedachte nov,'04, zie ook mij boek ' De eeuwige generatie') Het aangeheven 'kinderliedje' qua tekst alsook het muzikale wijsje/thema heeft namelijk op mij de onuitwisbare indruk gemaakt, het met een filosofische vraagstelling van doen te hebben. Maar eerst dit. Voorwinden geeft zelf aan niet tot de doelgroep te horen terwijl hij toch tot de doelgroep DVG behoort. Daarmede schept hij voor mij een probleem. Eveneens met zijn verzoek om mijn inzichten wat meer te populariseren. Deze probleemstelling is niet nieuw.

Zo wijst de Vlaamse filosoof en vrijdenker Hubert Dethier (1933) erop, in een van zijn filosofische werken, dat onder vrijdenkers geen eensgezindheid bestaat: 'De geschiedenis van het atheïsme'. (Uitg. Hadewijch Antwerpen-Baarn 1995). (Zie ook DVG nr.7 2002) Vandaar dat ik eerst mijn zienswijze betreffende het vrijdenken, indachtig Hegel, wat nader wil definiëren. Geplaatst in een filosofische context kan er van vrijdenken slechts sprake zijn wanneer er logisch wordt gedacht en geredeneerd. Dat wil derhalve zeggen dat er niet dient te worden uitgegaan van vooropgezette opvattingen danwel vooroordelen. Hegel stelt namelijk in het voorwoord van zijn 'Fenomenologie' dat, wil filosofie wetenschappelijk zijn, er afstand dient genomen te worden van subjectieve meningen, want die verduisteren. Hoe je daarentegen je in de dagelijkse gang van het leven opstelt of gedraagt moet ieder voor zich weten, want persoonlijke voorkeuren spelen daarin een belangrijke rol. Maar oorspronkelijk staat de filosofie in het teken van begrijpen en verklaren, niet van het wensdenken. Wanneer er echt nagedacht dient te worden, zoals in de wetenschap, dan is de logische redeneertrant een vereiste. Bedenken we daarbij dat logisch denken feitelijk onpersoonlijk is, want berust op eenduidigheid. Hiermede wordt niet ontkend dat de logische discipline zich in het persoonlijke brein afspeelt. Doch in de logische redenatie is de mens zichzelf dienaar en berust dan ook op zelfdiscipline.

Zo heeft Spinoza in zijn 'Ethica' erop gewezen dat een bepaling tevens een ontkenning inhoudt. Met andere woorden: alles roept zijn eigen (logische) tegenstelling op. Heel ons taalgebruik is opgebouwd uit tegengestelde begrippen, bijvoorbeeld: Hoog-laag, warm-koud, sterk-zwak, vrouw-man, lichaam-geest, licht-donker, etcetera. Zonder deze tegenstelling zou er geen dialoog mogelijk zijn. Die kennis van tegenstellingen benoemt Hegel tot een onmiddellijk weten en staat dus los van subjectieve opvattingen. De dialectiek gaat uit van de ontwikkeling van het denken, doordat tegenstellingen zich kunnen verzoenen, en zodoende zich op een hoger plan verheffen: de eenheid der tegendelen. De liefde als de meest besproken, bezongen en bedreven menselijke activiteit, is daarvan een duidelijk voorbeeld. In ieder mens speelt het besef dat dat de liefde eigenlijk het ware is.

In de filosofie van Hegel rond zich het abstracte doordenken van de werkelijk zich in feite af. Met komst van het marxisme, het existentialisme en andere stromingen gaat de filosofie op de levens- en wereldbeschouwende toer. Daarop is niets tegen, maar het verliest dan wel het predicaat van het oorspronkelijke filosoferen. Heidegger daarentegen neemt eigenlijk een middenpositie in omdat hij onderzoekt in hoeverre het filosoferen zich verhoudt tot het leven. Zoals ik mij artikel aangaf is voor Heidegger filosoferen dichten, ofwel een beschouwend denken dat deels afstand neemt van de dagelijkse gang van zaken. Zo heeft hij zich uitvoering beziggehouden met de gedichten van Hölderling. In gedichten krijgen woorden, die gebezigd worden in het dagelijksgebruik, inhoudelijk een andere betekenis en een diepere lading. Ik Verwijs hier naar een interessante studie van Dirk De Schutter, 'Opgave van het proza. Over Hegel, Heidegger en de ethiek van het lezen.' (Uitg. Peeters Leuven 1998) en waarop ik nog zal terugkomen. Wanneer gedichten alsook filosofische teksten naar alledaags woordgebruik letterlijk worden gelezen en geïnterpreteerd, dan verliezen zij hun lading en zeggingskracht. Dat is met de oorspronkeijk gnostische wijsgerige evangelische teksten ook gebeurd. Met de opkomst van de kerk zijn de Evangeliën, die in het teken staan van waarheid en verbeelding, gehistoriseerd en worden nu in romanvorm en dagelijks woordgebruik letterlijk gelezen en verkondigd. Welbegrepen staat de Christusfiguur voor het wijsgerig begrip Logos. Het Johannes Evangelie kent trouwens geen geboorte van het kind, maar de vleeswording van de Logos. Onder de gelovigen heerst de waan van de dag. Maar ook hier: Hoe leg je dat uit?

Plato en Aristoteles hebben erop gewezen dat de verwondering de moeder is van de filosofie en uiteraard natuurlijk ook van de kunst. Nu zijn er wel veel vakfilosofen die erg veel weten, maar toch net niet filosoof zijn omdat zij die verwondering missen. Want filosofie heeft met ontvankelijkheid te maken en die is niet te onderwijzen, laat staan te populariseren. Van de Rotterdamse filosoof Jan Börger heb ik geleerd dat de kunst van het filosoferen berust op het stellen van de relevante vragen en het beantwoorden daarvan, etcetera. Vandaar mijn opmerking dat de vraag van Heidegger 'Waarom is er eigenlijk zijnd en niet veeleer niets?' een verkeerde vraagstelling is. Met de daaruit resonerende vraag, 'Hoe staat het met het zijn?' kan ik wel uit de voeten. Een eerste gedachte daarbij is dat het Zijnde, ofwel de wereld der verschijnselen, een gegeven is en in de eeuwigheid gegrond: aanvangsloos. Het aanvangsloze principe van het eeuwige universele houdt weldoordacht in dat alles wat kan gebeuren reeds gebeurd is en zich alleen maar kan herhalen. De mensheid is daarom te definiëren als de eeuwige generatie.

Vanuit zijn dualistisch denken (oorzaak en gevolg) stelt Voorwinden dat de kosmos er eerder is dan de mens. Hiermede geeft hij aan nog niet goed overdacht te hebben wat eeuwigheid ofwel het aanvangsloze als logische consequentie inhoudt. Zoals ik al stelde geldt dit ook voor een deel van het wetenschappelijk denken waar namelijk wordt uitgegaan van het toevalselement of zelfs van een eventueel Intelligent Design. De logische consequentie die te trekken is uit het algemene eeuwige zijn en erzijn behelst dat de mens (bewustzijn) te allen tijde in het universum aanwezig is. Waar?, dat doet niet ter zake. In de universele procesgang spelen zich evolutionaire processen af die steeds weer de mens zullen opleveren. In zoverre is te stellen dat het universum nooit zonder (menselijk)bewustzijn is en het bewustzijn, de microkosmos, is de weerspiegeling van de eeuwige macrokosmos. Wat de menselijke aanwezigheid in het heelal betreft verwijs ik naar de aflevering 5 van 'God bestaat niet', waarin de astrofysicus Vincent Icke stelt dat er drie dimensies zijn: deeltjes, ruimte en tijd. Die zijn een universeel gegeven en in de interstellaire ruimte zullen steeds weer sterren en planeten ontstaan en waarbij de mens niet is weg te denken.

Voorwinden verward het filosofische zien (inzien) met waarnemen. Maar de filosofie houdt zich begripmatig bezig met waarheid. Nu wordt er door de filosoof genoeg waargenomen, want zonder waarneming functioneert het denken en bewustzijn niet. Maar er bestaat ook nog zoiets als inzicht vanuit het begrijpen, dat geldt trouwens ook voor de wetenschap. Ik denk dat Einstein met het ontwikkelen van zijn relativiteitstheorie ook niet zoveel in concreto heeft gezien, maar wel begrepen. Tevens wil ik hier de aandacht vestigen op een bijdrage in het maandblad van de NRC augustus 2005, van de hand van mathematicus Robbert Dijksgraaf die op 7 augustus ook te gast was in het programma 'Zomergasten'. Aan het slot van zijn betoog verwijst hij naar de fysicus Wheeler die graag een plaatje tekent van een grote letter U (universum). Vanaf een van de pootjes kijkt een oog naar de rest van de letter. Zijns inziens zijn wij mensen eigenlijk het oog van het heelal dat leidt tot introspectie en de mens doet verwonderen.

Filosoferen berust op de discipline van het begripmatig logische denken. Ik heb al de opmerking gemaakt dat dit feitelijk een vorm is van een onpersoonlijk denken. Aristoteles heeft er al opgewezen dat in de filosofie het denken over zichzelf nadenkt. Evenals Parmenides, stelt Aristoteles in zijn 'Metaphysica Lamba' (Red. Cornelis Verhoeve, Ambo/Baarn 1989) vast dat 'denken en zijn' dezelfde zaak zijn, want het 'ál is het geheel'. Het denkbare aanvankelijke (causa sui) en het niet in gang gezette 'onbewogen bewegende zijnde' van Aristoteles is een en dezelfde zaak en kan niet worden aanbeden. Inzovere is er sprake van een altijd onophoudelijke cirkelvormige beweging die zich onder andere aftekent aan het firmament en waaraan geen plan ten grondslag ligt. Niets is zomaar toevallig in beweging maar uit noodzaak. 'Dat wordt niet alleen duidelijk uit het begrip, maar ook uit de feiten', aldus Aristoteles. Hij definieert de werkelijkheid als denkende geest, de 'noèsis'. Het beginsel is in beweging door geestelijke activiteit: 'De denkactiviteit denkt zichzelf'. Met andere woorden: Het universeel geestelijke ofwel de natuurwetten berusten op zelfwerkzaamheid. Deze procesmatige zelfordening noemt Aristoteles kosmos-anarchos. Andronicus van Rhodus gaf aan de beschouwingen van Aristoteles de naam (ik citeer Verhoeve) 'ta meta ta physica'='na de fysische werken'. Deze vorm van metafycica heeft dus niets te maken met een bovennatuurlijk theïstisch denken, maar alles met het structurele wezen en zijn der verschijnselen. Het denken en bewustzijn van de mens, waarin de kosmos uitloopt, heeft derhalve deels een kosmische ofwel universele inhoud. Wanneer je de ontvankelijkheid daarvoor mist dan leef je in een klein eenzijdig wereldje. Hoe leg ik dit uit aan Voorwinden? Toch maar proberen. Verwijs ik hier onder anderen nog eens naar Börger die definieerde: 'De mens is de universele werkelijkheid méé.' De mens is enerzijds een persoonlijk individu, maar is anderzijds onderdeel van het geheel. In zijn bewustzijn is ook sprake van reflectie van het geheel, dat zich deels manifesteert in en als de wereld der verschijnselen. Een mooi voorbeeld is de schoonheidsbeleving. Daarop heb je eigenlijk geen grip, maar dat overkom je. Je dagelijkse gang van denken of bewustzijn raakt bevangen en overstijgt zich. Dat roept tevens een tijdloosgevoel op dat ik vergelijk met extase. Voorwinden vraagt of dit met religie te maken heeft. Nee, niet wanneer hij onder religie godsdienst verstaat. Maar er bestaat namelijk ook nog zoiets als religieuze beleving zonder een persoonlijk bedachte god. Ik denk bijvoorbeeld aan het oorspronkelijke Boeddhisme waarin een als een persoon gedacht goddelijk 'iets' géén rol speelt. Maar wel extase. Dat wil zeggen: het inzichzelf verzonken bewustzijn. In feite hebben we het dan over werkelijk filosoferen, zoals ik al aangaf. Van de hand van Joep van der Vliet verscheen een interessant proefschrift: 'Hegel en het Madhyamika; Dialectische filosofie als anti-systeem', (uitg. Academisch Boeken Centrum, de Lier, 1992) Daarin geeft hij aan, dat er ook in het Madhyamika-Boeddhisme dialectisch (bespiegelend) wordt gedacht, zij het op haar eigen wijze. 'Boeddhisme', merkt hij op, 'is volgens Hegel een religie met de ware bestimmung, te weten die van het denken.'

Wat die ordenende kosmische geest of logos betreft, spreekt Hegel van de 'List der Rede'. De ontwikkeling van de rede ofwel het denken tekent zich af in de cultuurmomenten van de mensheid. Evenals Hegel is ook Börger een procesdenker. Dat is tevens een organisch denken, omdat alles met alles te maken heeft. Van het beroemde veelal misgevatte hegeliaanse thema, 'Heer en Knecht', geeft Börger een geniale definitie: 'De weg naar mens-zijn is, om te beginnen, dat de mens leert zijn eigen Knecht te zijn; dan is hij namelijk tevens zijn eigen Heer.' Knecht en Heer zijn in de hegeliaanse filosofie bewustzijnsgesteldheden. Dat heeft Joep van der Vliet ook begrepen. Zolang de mens niet begrijpt is hij knecht van zijn ontwetendheid zoals die zich onder andere aftekent aan de fundamentalistische politieke en godsdienstige opvattingen. Dit knechtzijn wordt door Hegel dan ook gedefinieerd als het ongelukkige bewustzijn. In de omkering wordt de mens knecht van het begrip, de Rede. In deze verhouding wordt en is hij tevens zijn eigen heer doordat zijn filosofisch bewustzijn samenvalt met de Logos, het begrijpen. Inzoverre is er sprake van de Absolute Geest. Volgens Hegel is filosofie absoluut weten ofwel de ware oneindigheid.

De Absolute Geest wordt in de godsdienst en kerk verpersoonlijkt als een mannelijke god met alle daaruit voortvloeiende misvattingen. Maar deels is ook hier de 'List der Rede' werkzaam, want zonder dat de gelovigen het beseffen vereren zij de Rede. Zolang de mens niet werkelijk begrijpt is de godsdienst en de daarmee verbonden rituelen niet uit te bannen. Wetenschap zonder filosofie geeft daarom niet het laatste antwoord.

Voorwinden vindt dat ik veel citeer. Tja, in de filosofie is eigenlijk alles al gezegd, ik hoef zonodig het wiel niet opnieuw uit te vinden. Hegel merkt op dat hij niet meer gedaan heeft dan de Logosgedachte uitwerken van Heraclitus. Die zegt onder andere: 'Voor de Logos (Rede), ofschoon die altijd geldig is, blijken de mensen steeds weer vol onbegrip.' Heraclitus spreekt van 'hen kai pan', 'het één en het al.'

Het is waarschijnlijk de hegeliaanse 'List der Rede' (Logos) die mij begeestert. Het is eigenlijk niet belangrijk dat ik het zeg, maar dat het wordt gezegd. Daarbij, ik filosofeer en verdiep mij in het wezen en zijn van de universele werkelijkheid en het menszijn, omdat ik het niet laten kan. Zij hierbij opgemerkt dat ik ook positieve reacties heb mogen ontvangen. Bolland heeft al eens opgemerkt dat op de Olympus veel slaapwandelaars vertoeven. Maar er zijn dus uitzonderingen. Indachtig de aanhef van mijn schrijven citeer hierop aansluitend het slot: 'Alle klokken luiden, bim bam bom.' Met andere woorden: Wordt wakker!

Zelfs het klokkengelui heeft mijns inziens net als de muziek een filosofische betekenis. De donkere en lichte tonen vermengen zich tot een welluidende eenheid van klank. Met ander woorden er vindt een filosofische verklanking plaats van de eenheid der tegendelen. Dat is tevens de betekenis van de muziek als een van de meest abstracte vorm van de kunst. Denk ik hier in het bijzonder aan de klassieke muziek en zang. Tijdens het uitvoeren en beluisteren worden de deelnemers opgenomen in een harmonieus tijdloos geheel. Ook hier is de 'List der Rede' werkzaam.

De VUBpress heeft een magistrale muziekstudie uitgegeven: 'Het onzegbare en het onuitsprekelijke. Ethiek, metafysica en muziek bij Vladimir Jankélévitch.' Het betreft een vertaling met een inleiding van de hand van Ronald Commers; hoogleraar moraalfilosofie aan de de Universiteit te Gent. In het hoofdstuk 'Wijsheid en muziek' vraagt de Franse wijsgeer Vladimir Jankélévit­ch (1903-1985) zich af: 'Maakt de muziek van de mens een wijze? Er is slechts wijsheid als duurzaamheid en gemoedsrust worden samengevoegd. De wijsheid behoort het gehele leven toe.' In het boek is sprake van een tentoonspreiding van enorme kennis op het gebied van de klassieke muziek, en de daaraan ten grondslag liggende poëtische en wijsgerige denkbeelden.

Tot slot kom ik nog even terug, zoals beloofd, op de studie van Dirk Schutte. In zijn laatste hoofdstuk verwijst hij naar Schillers 'Das Lied von der Glocke' waarop Hegel ingaat in zijn Esthetiek. Hegel prijst Schillers lied als een gedicht waarin de filosofische grondgedachte volledig wordt ontvouwd. Ik citeer nu Schutte: 'De klok is een ode aan de mensen-broeders; het laatste vers dat Hegel niet citeert, luidt: 'Friede sei ihr erst Geläute.' Het wekt dan ook nauwelijks verbazing dat de klok de naam 'Concordia' krijgt: eendracht, eenstemmigheid wordt door haar bewerkstelligd en is dus haar doopnaam.'

Ter opwekking van Voorwinden besluit ik:

Vader Jacob, slaapt gij nog ?
Alle Klokken Luiden
Bim, Bam, Bom

Wim de Lobel Moerkapelle

Deze pagina's zijn gemaakt door
ibiz webdesign ©
contact@ibizweb.nl