Hoe komt God in de Filosofie ?

Fragment uit
De Eeuwige Generatie

Het zich ontvouwende zijn

Met de grondvraag van de filosofie heeft Heidegger (1889-1976) zich vooral beziggehouden in zijn geschrift Inleiding in de Metafysica. i Deze tekst is namelijk te lezen als een vervolg op zijn grote werk Zijn en Tijd. ii Heidegger stelt bij herhaling de vraag: "Waarom is er eigenlijk zijnd en niet veeleer niets?" Dit lijkt ons een verkeerde vraagstelling en evenals die de wetenschap parten speelt, heeft ook Heidegger die vraag niet werkelijk kunnen beantwoorden. Heidegger ondervangt echter de onmogelijke vraagstelling met de opmerking dat in deze metafysische grondvraag een andere vraag resoneert, namelijk: "Hoe staat het met het zijn?"

Heidegger, die zich met het denken van Hegel (1770-1831) heeft beziggehouden, spreekt eveneens van het extatische karakter van een zich overstijgend zelfbewustzijn. Tijdens de algemene sfeer van het bewustzijn van het erzijn of dasein (Zijn en Tijd), spelen in het reflectieve zelfbewustzijn de 'tijdloze' momenten. Heidegger maakt namelijk een onderscheid tussen het zijnde en het erzijn. Onder het zijnde verstaat hij de verschijnselen in het algemeen. Onder erzijn verstaat hij de mens die zichzelf ervaart vanuit z'n zijn en existentiële bestaan. Het bijzondere en opvallende van het erzijn als vragende mens is het zijnsverstaan dat leidt tot ontsluiting van het zijn. Vanuit deze vraagstelling filosofeert Heidegger betreffende het zijn. Heidegger wijst er dan ook op dat het wezen van het zijn zich onthult in het voorhandene als zijnde en in het erzijn ofwel vanuit de mens. Met het begrip erzijnde of Dasein karakteriseert Heidegger de vragende mens. Heidegger maakt dus een onderscheid tussen de verschijnselen in het algemeen en het verschijnsel mens in het bijzonder. De mens als bewustzijn is namelijk het enige verschijnsel waarin het denken over zichzelf kan nadenken en dan is er sprake van filosofie. Heidegger spreekt in deze van een zich ontvouwen van het zijn.

Denken in het licht van de tijd

Heidegger heeft dus de interpretatie van het zijn in de tijd aan de orde gesteld. Hij veronderstelt een andere zienswijze bij de voor-Socratische denkers. Die verstonden onder de logos van het 'zijn' waarschijnlijk de natuurlijke ordening van het zijnde. Het 'zijn' gesteld in het licht van de tijd is een typisch heideggeriaans thema. Heidegger verstaat echter onder het zijnde of dasein niet alleen de dingen maar rangschikt daaronder óók het bewustzijn of de logos. Hij heeft dit wellicht in navolging van Hegel gedaan, want die had dat reeds in zijn Fenomenologie geformuleerd. Heidegger spreekt van een archaïsche logica en onderschrijft dus dat het denken al een lange voorgeschiedenis heeft. Hij beaamt Hegels zienswijze, namelijk dat filosofie 'denken in het denken' is. In Hegel vindt de westerse filosofie in zekere zin haar voltooiing. Ook Heidegger stelt, dat de wezensrijkdom van het zijn na omwentelingen wordt voltooid in het moderne wereldtijdperk. Via de stroming van de Monadologie van de substantie vindt in de Fenomenologie van de Geest die voltooiing plaats en met name wijst Heidegger op Leibniz (1646-1716), Kant (1724-1804) en Hegel. Aangaande Hegel maakt Heidegger de opmerking: "Wat de geschiedenis van het denken betreft: De enige denker van West-Europa, die de geschiedenis van het denken denkend ervaren heeft, is Hegel."

In een uitmuntend proefschrift van Karin de Boer wordt ingegaan op wat zij noemt Heideggers tweestrijd met Hegel. iii Tijdens haar studie werd zij geraakt door de schoonheid van het hegelse denken. Toch verheelt zij niet aan het eind van haar dissertatie om haar bewondering voor Heidegger te uiten. Weliswaar plaatst Heidegger, ondanks zijn respect voor Hegel, kritische kanttekeningen bij diens absolute Idee. De wortels daarvan reiken terug tot aan Plato's Eidos: het Vaderland van de Idee. Jan Börger (1888-1965) heeft erop gewezen dat door het stellen van de idee een intellectualisering plaatsvindt van het animistische natuurlijke denken. Dit geldt eveneens voor de evangelische teksten die hij, in navolging van Hegel, filosofisch heeft geïnterpreteerd.

Heidegger daarentegen doet een 'stap terug' en stelt de betekenis van praxis - het leven - aan de orde, zonder echter afbreuk te willen doen aan het metafysische denken van Hegel. De niet tastbare waarheid begrepen als de Idee, die voor Heidegger samenvalt met het zijn, onthult zich dan ook, zijns inziens, onverborgen vanuit het wezen der dingen en de handeling, zoals het subjectieve gebeuren.

Waarheid en zijn

Veelal speelt in de moderne filosofieën een eenzijdigheid van denken. Want daarin wordt op voorhand in ontkennende zin afstand genomen van de metafysische en rationele waarheidsbevindingen. Maar, zoals Börger het definieert, waarheid is niet tastbaar, of te hebben, doch slechts te begrijpen. Waarheid berust op het wezenlijke zijn, dat zich in de reflectie van erzijn weerspiegelt en in het menselijk brein tot zelfbewustzijn komt. Werkelijke reflectie en zelfbewustzijn behoort volgens Börger tot het gebied van de levenskunst. Vandaar dat hij beklemtoont dat ook op het leven het accent dient te liggen. Dienaangaande citeert hij Johannes 14-6 waar de Jezusfiguur zegt: Ik ben de weg, de waarheid, en het leven(!).

De Grieken zagen de kosmos als een sieraad. Het is de kosmos, die tot zichzelf in verhouding staat en zich als zodanig manifesteert. De mens is het uiterste ontwikkelingsmoment van en in de kosmos. Het universele gebeuren buigt vanuit het zelfbewustzijn in zichzelf begripmatig en cultureel terug, reflecteert en weerspiegelt zich. Aan de mens als bewustzijnswezen ontleent de kosmos ofwel de werkelijkheid haar realiteit.

Het in zichzelf verzonken zijn

Heidegger spreekt van het erzijn, dus de mens in concreto, waaraan het zijn in abstracto tot onthulling komt.

De werkelijkheid is dus dubbel, is zowel verschijnsel om naar haar essentie tevens geen verschijnsel te zijn. Kenmerk van de mens is zijn bewustzijn en denken die in directe zin van het woord niet tot de verschijnselen zijn te rekenen. Bewustzijn is de uiterste mogelijkheid van het zijn, namelijk het bewuste zijn. Slechts vanuit het woord, de spraak, de handeling en in geschrift vertaalt het zich als wezenskenmerk der verschijnselen. Het denken en zelfbewustzijn dat beseft of begrijpt, overschrijdt vanuit de overdenking en doordachtzaamheid de grens van de wereld der verschijnselen. Het denken dat uitloopt in begrip is als het ware door de dingen heen. Het bewustzijn en denken staan dan in het licht van de inhoudsloze klaarheid. Dat is een vorm van extase die ook door Hegel wordt beschreven. In de Indische wijsbegeerte is er sprake van de droom van Maya. De zuivere betekenis van de Boeddha-gestalte verbeeldt niet zozeer een menselijke figuur, doch het inzichzelf verzonken bewustzijn.

Het overschuimende

Voor Heidegger is denken dichten, de waarheid is omkleed en vluchtig. Vandaar dat hij spreekt van tijds-extase, een verwijlen. Heidegger kritiseert Hegel omdat hij, hoewel alles doordacht hebbende, zich in een cirkel van filosofische vraagstukken beweegt, zonder oog te hebben voor het centrum van de cirkel. Heidegger zelf wijst de tijd aan als het middelpunt van de filosofische cirkel. In zijn Metafysica maakt hij dienaangaande een interessante opmerking die wel eens de sleutel tot zijn denken zou kunnen inhouden. Het begrip tijd op zich bestaat niet. De tijd tekent zich af aan het mens-historisch zijn, want de tijd manifesteert zich voor zover de mens er is. Het heideggeriaans begrip Zijn en Tijd vindt haar bevestiging in de mens. Wanneer we mens zeggen, zeggen we volgens Heidegger 'Zijn en Tijd'.

Omdat in het menselijk bewustzijn tijd en eeuwigheid samenvallen, is er sprake van tijds-extase. Als een vorm van levenskunst komt die tot uitdrukking in het kunstzinnige gevoel en de filosofische waarheidsbeleving. Börger heeft er op gewezen dat we niet de fout moeten maken om het dagelijkse bestaan met levenskunst te verwarren. Want de mens die van zijn bestaan geniet behoeft nog geen levenskunstenaar te zijn, zoals veelal wordt gedacht. Levenskunst vloeit namelijk voort uit een geestesgesteldheid waarin de mens zich verbonden voelt met het Al. In zijn tijdloze onderdompeling beweegt de mens zich in een verdroomde wereld.

Heidegger beticht Hegel van het hanteren van een vulgair tijdsbegrip. Maar zijn zienswijze is moeilijk te rijmen met de visie van Hegel. Ook Karin de Boer plaatst daarbij een kanttekening. De waarheidbeleving die zich begripmatig manifesteert in een oneindigheidsgevoel wordt namelijk door Hegel, aan het slot van zijn Fenomenologie, zeer dichterlijk het overschuimende genoemd. Desondanks blijft het oneindigheidsgevoel te allen tijde als het 'tijdloze' moment toch tijdgebonden. Gezien sommige uitspraken die Heidegger over Hegel doet veronderstelt Karin de Boer, die zeer goed is ingevoerd in het filosofische werk van beide denkers, dat Heidegger de teksten van Hegel niet volledig heeft bestudeerd.

Waarheid en tijd

Evenals Heidegger heeft ook Nietzsche (1844-1900), die te typeren is als een dionysische figuur, aansluiting gezocht bij het voor-Socratische denken. Maar bij Nietzsche ligt het accent vanuit het dasein of erzijn op het existentiële bestaan van de mens, en niet zozeer op de Logos of het bewustzijn zelf. Heidegger verwijst naar een aantekening van Nietzsche, die hij na zijn Zarathustra heeft gemaakt (±1885), naar aanleiding en ter definiëring van het het zijn van het wordingsproces. Heidegger citeert: "Aan het worden (wording) het karakter van het zijn te geven - dat is de hoogste wil tot macht." Verder zegt Heidegger: "Het zijn, dat Nietzsche hier denkt, is de eeuwige wederkeer van hetzelfde." Bij Nietzsche is er dus sprake van dat de existentiële mens, dus de mens naar zijn bestaan als natuurproduct, in alle eeuwigheid steeds weerkeert.

Vanuit deze zienswijze is Heidegger geen existentialist te noemen omdat hij zich ook bezighoudt met de essentie van het zijn. Het pure zijn dat naar zijn betekenis onbepaald is blijkt echter in onze voorstellingswereld nochtans 'een hoogst bepaald volledig onbepaald iets te zijn.' In zijn verhandeling Over het wezen van de waarheid iv stelt hij nadrukkelijk: "Iedere soort van antropologie en iedere subjectiviteit van de mens als subject is, zoals in Sein und Zeit, verlaten."

Heidegger karakteriseert het erzijn of Dasein als 'in-de-wereld-zijn,' en de mens is het geworpene. De mens is dus het erzijn van het zijn bij uitstek, dat zich realiseert en dat zich manifesteert in activiteiten die het zijn weerspiegelen. Vandaar dat de mens een besef heeft van eeuwigheid. Wel maakt Heidegger een onderscheid tussen de wereld en de aarde. De aarde is de moeder die de mens heeft voorgebracht, maar 'het in de wereld zijn' is de kunst om te leven.

Opmerkelijk is dat bij Heidegger in zijn Metafysica een ommekeer in zijn denken is te constateren. In haar proefschrift Waarheid en tijd bij Heidegger v heeft Veronica Vasterling deze inhoudelijke wending uitgebreid geanalyseerd. Zij merkt dienaangaande op dat in het begin van de jaren dertig het project van Zijn en Tijd niet wordt voortgezet. Een ander perspectief met name Zin of Grond wordt maatgevend. Toch zal Heidegger in zijn latere werk weer op het begrip Tijd terugkomen.

Het positieve aan Heideggers filosofie is dat die een opening tracht te ontsluiten van Erzijn ten opzichte van het Zijn ofwel het leven dat tevens de vorm van kunst inhoudt. Aan Heidegger wordt wel verweten dat hij geen afstand heeft genomen van het Duitse nationaal-socialisme. Maar vermoedelijk heeft Heidegger, en velen met hem, de opkomst van het nationaal-socialisme aanvankelijk begrepen als een Europees cultuurmoment. Echter in zijn Einführung in die Metaphysik, colleges uit 1935 die hij in 1953 in druk liet verschijnen, herhaalt hij zijn kritiek nog eens op de Duitse partij-variant, want daarin herkent hij geen innerlijke filosofische waarden en grootsheid.

God in de filosofie

Opmerkelijk is dat Veronica Vasterling diepgaand ingaat op wat Heidegger de onto-theo-logische structuur noemt van de metafysica en dat in zijn tweede lezing betreffende Identiteit en differentie (1957) weer actualiseert. Theologie waarin de personificatie van een of andere God een rol speelt heeft volgens Heidegger geen wetenschappelijke waarde. Het absolute dat een rol speelt in de metafysica wordt daarentegen door Heidegger aangemerkt als goddelijk en dat een grondtrek vertoont met de theologie. Heidegger verwijst naar de invloed van Spinoza op het Duitse idealisme. Spinoza had namelijk God met de natuur vereenzelvigd: Deus sive Natura; de substantie is 'zonder aanvang (anarchon)': causa sui. Heidegger vraagt: "Hoe komt de god in de filosofie?" Die is te vinden in het wezen van de differentie: Zijn en het Zijnde. Deze grond en grondvesting is de oorzaak als de causa sui: "Zo luidt de feitelijk passende naam voor de god in de filosofie. Tot deze god kan de mens niet bidden, noch kan hij hem offers brengen. Voor de causa sui kan de mens noch uit eerbied op de knieën vallen, noch kan hij voor deze god musiceren en dansen."

Deze conclusie wordt in het proefschrift van Veronica Vasterling in directe zin niet bevestigd hoewel zij spreekt van "een abstracte radicalisering van de ontotheologie." De ontotheologische gesteldheid van de metafysica noopt Heidegger om een 'stap terug' te doen. Zoals Karin de Boer opmerkt is voor Heidegger de hegeliaanse almacht van het denken, dat procesmatig resulteert in het absolute begrip, "de steen des aanstoots". Deze tweestrijd is voorshands dan ook nog niet beslecht.

Noten

i. Martin Heidegger, Inleiding in de metafysica; SUN, Nijmegen 1997.

ii. Martin Heidegger, Zijn en Tijd; SUN, Nijmegen 1998.

iii. Karin de Boer, Denken in het licht van de tijd. Heideggers tweestrijd met Hegel; Van Gorcum, Assen 1997.

iv. Martin Heidegger; Over het wezen van de waarheid. Damon, Budel 2001.

v. Veronica Vasterling; Waarheid en Tijd bij Heidegger. Van Gorcum, Assen 1993.


Wim de Lobel Moerkapelle

Deze pagina's zijn gemaakt door
ibiz webdesign ©
contact@ibizweb.nl