Camus: een post-modernist van het eerste uur. Gepubliceerd in Buiten de Orde,
Zomer 2003.

'Ook al is er geen hoop, dan dienen we niet te wanhopen'


Onlangs gaf De As het themanummer Boeken uit. In dat nummer was echter geen ruimte meer voor Albert Camus. De schrijver over absurdisme, opstand en revolte verdient echter ook binnen de anarchistische beweging ruime aandacht, juist als analyticus van absolutistische ideologiën die onherroepelijk tot terreur leiden.

Tijdens de beginperiode van de zestigerjaren ontdekte en las ik filosofische essays en romans van de Algerijns-Franse filosoof en schrijver Albert Camus (1913-1960). Zijn werk heeft in mijn zienswijze een onuitwisbare indruk teweeg gebracht. Het was in de tijd dat ik - met anderen - het anarchistisch tijdschrift De Vrije nog in gestencilde vorm uitgaf als voortzetting van De Vrije Socialist: het blad van Domela Nieuwenhuis dat wij als een afronding van zijn ontwikkeling kunnen beschouwen. In De Vrije heb ik toentertijd ruime aandacht besteed aan het werk van Camus, mede ook omdat er anarchistisch gedachtegoed aan de orde wordt gesteld.

Als nieuwkomer in de anarchistische beweging bekroop mij namelijk meer en meer een gevoel van onbehagen. Een nieuwe impuls leek mij van node om het anarchisme, dat teveel op een idealistische leest geschoeid was, een meer eigentijds gezicht te geven. En bij Camus las ik wat er zo al in het verleden was misgegaan: ideologische machtsstrijd waar onderlinge solidariteit gewenst is. Bedenk wel dat deze overdenkingen gestalte kregen vóór Provo. Met gepaste trots mag ik hier zeer bescheiden vermelden dat de wortels van het anarchisme van Provo voor een belangrijk deel hun voedingsbodem vonden in het blad De Vrije. Van Roel van Duin ontving ik namelijk ooit een brief van: Wim ik wil anarchist worden! Zij het een korte periode maakte hij dan ook deel uit van de redactie. Evenzo belangrijk was dat onze Belgische medewerker De Smet in De Vrije het werk van Marcuse besprak, die een theoreticus was uit de Frankfurter Schule en waarover in ons landje nog een oorverdovende stilte hing. In revolterende studentenkringen ontstond een vraag naar dit bewuste nummer. Zoals bleek had Marcuse in zijn jonge jaren ook zijn sporen verdiend, daar hij gedurende de Spartakus-opstand in 1918 deel uitmaakte van een arbeiders- en soldatenraad in de Berlijnse wijk Reinickendorf.

Het postmodernisme was nog niet benoemd, maar het frappeerde mij dat Camus zich niet bij het existentialisme wilde laten inlijven. De reden daarvoor was waarschijnlijk dat hij afstand wilde nemen van de accentuering van zelfgenoegzaamheid en zelfbeklag in die beweging, welk hij tevens als een vlucht in het ongewisse beschrijft. Bij de existentialistische schrijver Sartre kunnen we namelijk in zijn romans nalezen dat het veelal de verknipte figuren zijn die zich in hun zogenaamde existentiële vrijheid willen uitleven: De wegen der vrijheid (1945, vertaling 1948 Contact Amsterdam/Antwerpen). Overigens engageerde Sartre zich vreemd genoeg met het stalinistisch communisme waartegen Camus juist stelling nam. Gaat Sartre uit van de individuele keuze, Camus daarentegen gaat uit van de innerlijke behoorlijkheid. Inplaats van het accent te leggen op de zelfgenoegzaamheid wees hij op de solidariteit met de anderen, een gedachte die hij uitwerkt in de roman De Pest (1947, vertaling 1948 De Bezige Bij Amsterdam).
Camus engageerde zich wel met het anarcho-syndicalistische gedachtegoed dat onder andere ook een rol speelde in de Spaanse republiek. Socialistische tendenzen, zoals dorpscommunes en vissersgemeenschappen, speelde al sinds onheugelijke tijden (9e eeuw) een rol op het Iberische schiereiland. In de dertiger jaren manifesteerde zich weer een belangrijke vorm van zelfbestuur en zelfbeheer. Die kwamen vooral tot uitdrukking in landbouw-coöperaties, er was zelfs sprake van een sociale revolutie. Die ontwikkelingen werden door het kapitalistische westen en mede door Stalin met argusogen bekeken. Het waren de fascistische horden van Franco, Hitler en Mussolini die de Spaanse Revolutie in de kiem smoorden (1936-'39). Zo schreef Camus, die een toneelgroep had opgericht, in samenwerking met anderen een politiek toneelstuk gewijd aan de heroïsche staking en opstand van de Asturische mijnwerkers (1934).

De nieuwe impuls betreffende het anarchisme kwam voor mij bijgevolg voort uit het onder andere bestuderen van het essay De mens in opstand (1951) waarin het absolute ideologische denken ter discussie wordt gesteld. De vertaling verscheen in 1952 bij De Bezige Bij Amsterdam. De redacteur van deze uitgave, Hans Redeker, wijdde reeds in zijn studie en de eerste uitgave Existentialisme (1949) een kort hoofdstuk aan Camus en het absurdisme. Hoewel De mens in opstand de al of niet geoorloofde politieke moord en zelfmoord als thema heeft, werkt Camus dit uit met het maken van kritische analyses. Die betreffen de rol van het zich nestelen van absolutistische vormen in ideologieën en die aanleiding geven tot terreur. In de eerste helft van de twintigste eeuw werden namelijk zo'n twee en zestig millioen menselijke wezens ontworteld, tot slavernij gedoemd en gedood. Camus geeft aan dat het oordeel daarover op een dwaalspoor wordt gebracht door de slavenkampen, waarboven de vlag van de vrijheid waait. Het absolute nihilsme - maar ook het hedendaagse fundamentalisme en drugsgebruik - leidt tot rechtvaardiging en woekering van moord en zelfmoord. De mens wordt het slachtoffer van zijn eigen waarheden, aldus Camus.

Camus analyseert in zijn studie De metafysische opstand (zonen van Kaïn), De historische opstand (konings- en godsmoordenaars en het terrorisme), Het verzet in de kunst en geeft een levenshouding aan in Het klare denken.

In een vorig essay De mythe van Sisyfus (1943, vertaling 1962 De Bezige Bij) had Camus al het gevoel van de absurditeit van het bestaan geanalyseerd. De hegeliaanse ontdekking dat God dood is, tast de ganbare zingeving van leven aan. De opstandeling ervaart dat zijn verzet het karakter aanneemt van een metafysische revolutie en dat hij zijn levensstaat eigenhandig dient te scheppen. Doch in kringen van de jonge linkse hegelianen verloor men zich in vormen van absoluut nihilisme. Vandaar dat de romantische rebel en de existentialist die eigen absurde gedragspatronen creëren, met een deels satanisch karakter, door Camus als vluchters worden beschreven. Misvattingen ontstonden omdat de filosofie van Hegel - die het Godswezen uit zijn tijdloze schuilhoek had ontrukt en verruilde voor de rede ofwel de wereldgeest - niet werd begrepen en afgewezen. Door een zonderlinge redenering in de existentiefilosofie - en het post-modernisme - wordt het absurditeitsgevoel gesitueerd op de vermeende puinhopen van de rede. Camus stelt desbetreffend dat, wanneer hij de grenzen van de rede erkent, daarmede toch niet de rede zelf zou willen loochenen. Want daar waar slechts 'de orde' en de sleur van de dag geldt, daar resteren bijgevolg de gevoelens van de absurditeit van het bestaan.

Camus echter wil een middenweg bewandelen, zodat het verstand helder blijft. Het absurde is de zonde zonder God te noemen maar wiens veronderstelde bestaan even absurd zou zijn.

Stirner die verklaarde dat God dood is, bond ook de strijd aan daar waar 'God nog in de tijdgeest werkzaam blijft onder het masker van zedelijke voorschriften.' 'Stirner', zegt Camus, 'en met hem alle nihilisten, holt naar het einde, dronken van vernietigingsdrang. Maar in de woestijn, die ze dan voor zich hebben, moet opnieuw geleefd worden.' Camus gaat uitgebreid in op de Russische nihilistische beweging waarvan Pisarjew de theoreticus was. Die merkte op dat kinderen en jongelieden de grootste fanatici zijn. Een 'studentenproletariaat' werd dan ook de fakkeldrager van deze beweging. Doch vele Russische intellectuelen daarentegen gingen wel uit van de hegeliaanse gedachten dat; 'de wereld rationeel is en dat de geest zich onvermijdelijk zal verwerkelijken aan het einde van de geschiedenis.' Zo dachten onder anderen Bakounin, Stankewitch en Bjelinski. Bakoenin die ongetwijfeld de totale vrijheid wenste riep aanvankelijk met Netchajew, de stichter van de Genootschap van de bijl, uit: 'Onze opdracht is vernietigen, niet opbouwen!' Bakoenin zal later breken met Netchajew en deze uitspraak bijstellen naar Hegels' synthese: 'Een vernietigende kracht is tevens een scheppende kracht!' Bakoenin, die in de veertiger jaren zich meer en meer tot het anarchisme had bekend, sterft (1876) aan de vooravond van het terroristische epos. Hij heeft echter individuele aanslagen gewraakt. Het Russische terrorisme krijgt in 1878 gestalte wanneer Vera Zasoelitch het hoofd van de Petersburgse politie, generaal Petrow, neerschiet. Tot aan 1905 worden duizenden dynamietaanslagen gepleegd mede in Europa en Amerika. Boris Sawinkow leider van de in 1903 opgerichte Strijdorganisatie van de revolutionair-socialistische partij heeft opgemerkt: 'Wel hebben ze in de terreur geleefd, hebben eraan geloofd, maar ze hebben er steeds de smartelijke gespletenheid van ervaren.' Zij hier opgemerkt dat het nihilisme dat uitmondde in een terrorisme van totale vernietiging, met hun bommen het absolutisme van de macht aan het wankelen wilde brengen. Toch zijn er grenzen aan het fanatisme. Kaliayew weigert een bom te gooien omdat in het rijtuig van de groothertog Serge zich ook kinderen bevinden.

'De Franse revolutie heeft God gedood in de persoon van zijn vertegenwoordiger in de Staat.' Maar zelfs die revolutie, waarin de jacobijnse eredienst van de Rede - de universele religie zonder transcedente God - op de troon is gezet, gaat ten onder aan het 'schavot (de valbijl) die tot het symbool verworden is van de vrijheid.

Het is Nietzsche die een uitputtende onderzoekingstocht begint in de nihilistische woestijn die voor hem ligt: amor fati, de liefde tot het lot. Camus verwijst naar Zarathoestra waarin Nietzsche zegt: 'God is dood, dat de mens leve!' Een wederopstanding in het nu zal de verstikkende banden verbreken en eigen waarden weten te scheppen. 'Ik bezweer u mijn broeders, blijft de aarde getrouw en gelooft hen niet, die u van bovenaardse hoop spreken! Giftmengers zijn het, of zij het weten of niet.' Maar: 'Elk individu gaat zo verloren in het lot van de soort, in de eeuwige beweging der werelden. Alles wat geweest is, is eeuwig. Op hetzelfde strand werpt dezelfde oerzee zonder ophouden dezelfde wezens, verbaasd te leven en onvermoeid dezelfde woorden sprekend....Eeuwig weerklinken de kreten van Dionysos, god van de aarde, als een stuk van hem wordt losgescheurd.' Doch Nietszche wankelt: 'Uit Dionysos' naam heeft hij slechts de dithyramben aan Ariadne onsterfelijk gemaakt, die hij schreef in zijn waanzin.'

Tolstoj echter, anarchist en gnosticus, gaat uit van de innerlijke (redelijke) gesteldheid: 'Het koninkrijk is in u.' Dostojewski is het die in zijn Gebroeders Karamazows de uitspraak: 'Indien niets waar is, is alles geoorloofd', vervangt door een: 'Indien niets waar is, is niets geoorloofd.' Doch Lautréamont verliest zich in zijn Zangen van Maldoror in de huivering van de absolute banaliteit en een Rimbaud die de verrukkelijke misdaad bezingt maar in stervensnood in zijn wanhoopskreet tot zijn zuster uitroept: 'Ik verdwijn onder de grond maar jij kunt wandelen in het zonlicht!' De Sade is het die, vanuit zijn ten top gedreven wellust, droomt van een universele republiek die niet berust op vrijheid, maar bandeloosheid.

Camus constateert aan alle revolte een vorm van metafysische eenheidseis ten grondslag ligt en net als in de kunst zich een plaatsvervangende kunstmatige wereld schept: 'Zij kiezen de beelden en stijfiguren van de gesloten wereld waarin de actie geplaatst wordt: de versterkte wallen bij Lucretius, de kloosters en ommuurde kastelen van Sade, de rotsen en eilanden van de romantiek, de eenzame bergtoppen van Nietzsche, de oerzeeën van Lautréamont, de borstweringen van Rimbaud en dan ten slotte de huiveringwekkende sprookjeskastelen die weer overal oprijzen, bij de surrealisten overtogen door een ondoordringbare bloementooi maar elders als concentratiekampen, gevangenissen, overmeesterde volkeren, het rijk van de vrije slaven.' Met deze schitterde karakterschetsen heeft Camus bij mij veel losgemaakt.

Bij Sartre ligt het accent op de onbewuste handeling. De mensen maken de wereld tot een hel, zij zijn zelf die hel. Vrijheid ontaardt in liefdeloosheid, ontbeert idealen, verliest zich in lustbeleving. De figuren van Sartre vertoeven op uitzichloze wegen, dwalen in de nacht van kroeg tot kroeg. Deze invalshoek wordt door Camus afgewezen: 'Ook al is er geen hoop, dan dienen we niet te wanhopen.' Het instinctieve verzet dat huist in de mens bevestigt de eis naar waardigheid en schoonheid. In het gevoel van de absurdteit dient men zich niet verliezen. Camus illustreert dit met een verwijzing naar de schrijver Ernest Dwinger. 'Die verteld in zijn Siberisch Dagboek over een Duitse luitenant die, al sedert vele jaren gevangene in een kamp waar koude en honger heersen, zich met houtjes een geluidloze piano heeft gefabriceerd, waarop hij, terwijl de ellende zich om hem heen opstapelt en een massa in lompen zich om hem verdringt, een vreemdsoortige muziekcomponeert die hij alleen kan horen.'

Camus gaat uitgebreid en zeer kritisch in op het hegeliaanse denken. Maar meer nog op de jonge linkse hegelianen die met hun leraar een loopje nemen. Het dialectische thema heer en knecht, dat bij Hegel metaforisch uitgedrukt een begrippenpaar vormt van de zelfontkenning van het subjectieve denken, werkt Camus bedachtzaam uit. De dialectiek van Marx daarentegen, die dit thema concretiseerde door er de klassenstrijd op te enten, komt er minder goed af. Ter vergelijking noemt Camus Hegels Fenomenologie van de Geest een pedagogisch werk: 'Het zelfbewustzijn is het kenmerk van de mens....Van alle schepselen is dus de mens de enige, die zijn wezen moet bevestigen en onderscheiden in de ontkenning.' Bij de klassenstrijd en accumulatietheorie plaatst Camus een kanttekening: 'De vorming van het aandelenkapitaal van de N.V. heeft het kapitaal niet geconcentreerd, maar heeft een nieuwe klasse van kleine bezitters doen ontstaan, wier laatste zorg ongetwijfeld het aanmoedigen van werkstaking is.' Zo heeft Simone Weil aan de twee gebruikelijke vormen van onderdrukking, die door wapens en geld, een derde toegevoegd, namelijk de onderdrukking door de functie.

In het laatste hoofdstuk Het klare denken concludeert Camus: 'het historische absolutisme is echter, in weerwil van de verschillende overwinningen die het behaald heeft, steeds gebotst tegen een onoverwinnelijke eis van de menselijke natuur zoals die duidelijk gesteld wordt in de landen rondom de Middelandse Zee, waar de intelligentie en het denken gehard zijn met het harde licht. Het opstandige denken, zoals dat van de Commune in 1871 of van het revolutionaire syndicalisme, heeft deze eis steeds gehandhaafd tegenover het burgelijke nihilisme en het ideologische socialisme.' Want Lenin die verwijst naar het functioneren van de Parijse Commune neemt toch afstand van de federalistische en anti-gezagsideeënstroom. In tegenstelling tot het hedendaagse lifestyl-modernisme wijst Camus erop dat: 'De wederzijdse erkenning van een gemeenschappelijke lotsbestemming benevens de onderlinge mensengemeenschap, blijven, hoewel ongekend, bestaan.' En: 'Te midden van de ruïnes bereiden wij allen, boven het nihilisme uit, een nieuwe wedergeboorte. Maar weinigen weten dit.'

Van de boeken van Camus verschijnen nog geregeld herdrukken. Een drietal jaar geleden verscheen nog de omvangrijke biografie Camus, een leven van Olver Todd.

Over Camus en het anarchisme verscheen bij Grazwurzelrevolution het zeer lezenswaardige boek van Lou Marin Ursprung der Revolte. Albert Camus und der Anarchismus.

Wim de Lobel

Deze pagina's zijn gemaakt door
ibiz webdesign ©
contact@ibizweb.nl