In februari 1705 werd de classis Schieland van de Gereformeerde kerk opgeschrikt door het bericht dat in het kleine, onder haar ressorterende gemeente Moerkapelle een ernstig geval van 'Bekkerianerij' was aangetroffen. Het hield in dat er onder de plaatselijke kerkeraadsleden sympathie was geconstateerd voor de als 'verfoeilijk' veroordeelde opvatting van de Amsterdamse predikant Balthasar Bekker (1634-1696). Deze had in zijn beruchte vierdelige werk De betoverde weereld getracht de kerkleer te zuiveren van het volgens hem heidense geloof in de werkzaamheid van de duivel in de wereld en in het bijzonder in het verbond dat tovenaars met hem zouden sluiten om hun kunsten te kunnen voortbrengen. Hij bracht de Gereformeerde kerk in grote beroering door uit zijn onderzoek de conclusie te trekken dat alle plaatsen in de Schrift waar sprake is van engelen of duivels anders uitgelegd moeten worden dan de kerk tot dan toe gedaan had. Niet alleen kwam hij zo in conflict met de formulieren van enigheid, maar tevens - en dat was voor velen het ergste - tastte hij het gezag van de kerk aan door haar uitleg van de bijbel niet als het laatste woord te beschouwen. In het bijzonder vond hij dat de Statenvertalers dikwijls onzorgvuldig te werk waren gegaan. Op grond van die opvattingen werd hij in 1691 als predikant geschorst en een jaar later afgezet. Terwijl de Gereformeerde kerk hem bleef 'verfoeien', verkreeg hij in meer vrijzinnige kringen de reputatie van een verlicht man en een dapper bestrijder van bijgeloof. De polemiek die rond De betoverde weereld in Nederland ontstond behoort tot de meest interessante in de geschiedenis van de filosofisch-theologische meningsverschillen in de Gereformeerde kerk. Vele tientallen schrijvers lieten, dikwijls anoniem, hun mening horen. Provinciale synodes stelden de zaak-Bekker op de agenda en waakte tegen het doordringen van zijn opvattingen op hun gebied. Zulks deden ook de verschillende classes en kerkeraden. Zelfs in kleine dorpjes, vooral in Holland, namen de kerkeraden stelling tegen Bekker en beloofde zij de invloed van zijn gevaarlijke boek te zullen tegengaan. Tot ver in de achttiende eeuw moesten nieuwe predikanten op hun examen laten blijken de opvattingen van Bekker te verwerpen. Pogingen om het boek zelfs door de wereldlijke overheid te laten verbieden mislukte echter. Bekker tracht in boek 2 van De Betoverde Weereld een nieuw licht op enkele bijbelteksten te laten schijnen. Uitgebreid aandacht besteedde hij aan de verhalen van Eva's verleiding (Gen.3) en van Jezus' verzoeking (Matt.4), die samen 'het voornaamste werk, den Duivel in de Schriftuur toegeschreven' vormden. Beide zaken speelden ook een belangrijke rol in de discussies te Moerkapelle. Hoewel Bekker het genesis-verhaal over de verleiding niet wilde ontkennen, weigerde hij het letterlijk te nemen. Noch de slang, noch de duivel kan door middel van van de slang gesproken hebben. De zaak van de Moerkapelse 'Bekkerianerij' kwam aan het licht gedurende de vacature van de predikantenplaats. De vorige dominee, Abraham Sluiter, sinds 1671 in dienst, was in 1704 met emeritaat gegaan; hij overleed twee jaar later. De beroeping van een nieuwe predikant liet nogal op zich wachten. De beroepen Hendricus van Pelt was weigerachtig en gaf alleen onder grote druk van de classis aanvankelijk toe, maar uiteindelijk nam hij het beroep wegens zijn zwakke gezondheid niet aan. Pas in 1706 trad een nieuwe predikant, Paul Lemkens, in dienst. Wegens dit beroepingswerk waren de contacten tussen kerkeraad en classis natuurlijk geïntensiveerd. Consulenten van de classis werden geacht de plaatselijke kerkeraden te assisteren bij een nieuwe beroeping. Tijdens deze gesprekken bleek niet alleen dat de kerkeraad al enkele jaren niet meer zoals gebruikelijk van samenstelling was veranderd, maar ook dat twee ouderlingen aanhangers van Bekker zouden zijn. Het ging om Jan (Johan) Bakker, tevens schoolmeester en voorzanger van de kerk, en Paulus Clapwijk. Besloten werd hen omtrent hun opvattingen uitvoerig te ondervragen. Op grond van de notulen kunnen we de opvattingen en houding van Bakker en Clapwijk in een aantal hoofdpunten samenvatten.
Om die reden wordt Bekker dan ook als een van de voorlopers van de Verlichting beschouwd, het tijdperk van geleidelijke afbraak van overgeleverde waarheid en van de overwinning van de rede op bijgeloof en fanatisme. De 'redelijke godsdienst' wordt in zijn dagen een onderwerp van verhitte debatten. De Franeker theoloog Herman Alexander Röell (1653-1718) was hem in 1686 al voorgegaan met een rede daarover. Toen ook hij discrepanties ging zien tussen de rede en de Gereformeerde dogma's, werd hij evenals Bekker voor ketter uitgemaakt. Beider opvattingen waren tot diep in de achttiende eeuw het voorwerp van officiële synodale veroordeling - en tot nu toe is dat oordeel nooit herroepen. Een dergelijke strijd heeft zich ook te Moerkapelle afgespeeld - in een klein boerendorp, tussen eenvoudige, ongestudeerde mensen; alleen Bakker bezat als schoolmeester enig niveau. Misschien drie, maar zeker twee leden van de kerkeraad trachtten daar het 'gemeen gevoelen aangaande de geesten' onder hun geloofsgenoten te bestrijden zoals Bekker dat voor de hele publieke kerk gepoogd had. Het spreekt haast vanzelf dat zij in het dorp vaak met argwaan werden bekeken en door de classis als gevaarlijk werden beschouwd. Zij hadden immers de pretentie meer verlicht te zijn dan de anderen en ook de classis.
Bovenstaande is een kleine selectie uit een essay van Michiel Wielema: De duivel uit Moerkapelle gebannen. Invloed van Balthasar Bekker op het Hollandse platteland. In een gewijzigde versie later opgenomen in hoofdstuk 4 van zijn proefschrift: Ketters en verlichters. De invloed van het Spinozisme en Wolffianisme op de verlichting in Gereformeerd Nederland. |
Deze pagina's zijn gemaakt door
ibiz webdesign ©
contact@ibizweb.nl