Het is een verheugend feit dat onlangs enige aandacht werd besteed aan de nu vrijwel vergeten, door Hegel geinspireerde Rotterdamse filosoof Jan Börger (1888-1965), die meer dan veertig jaar lang cursussen verzorgde over wijsgerige vraagstukken en zodoende velen voor het 'redelijke denken' wist te winnen. In zijn studie over de geschiedenis van de wijsbegeerte in Rotterdam gaat Wielema onder meer in op Börgers grote werk De Europeesch Christelijke wereld en haar verwording gezien in het licht van het zuivere begrip. 1 In deze cultuurkritische studie uit 1926 wordt Hegels denken het hoogtepunt van de westerse filosofie genoemd. In navolging van de Leidse hegeliaan G.J.P.J. Bolland toonde ook Börger weinig waardering voor de beoefening van de wijsbegeerte aan de universiteiten. Hij meende "dat het redelijk of organisch denken stelselmatig aan de universiteiten van Europa wordt geweerd" waardoor hedendaagse studenten zich neer zullen moeten leggen bij het gegeven "dat zij het wijsgeerige geknoei van allerlei verstandsphilosoofjes hebben aan te horen." 2 Börger was een markante figuur en zijn werk ademt de geest van het hegelianisme zoals dat in de eerste helft van de twintigste eeuw in Nederland opgang maakte. In dit artikel poog ik te laten zien dat Börger geen slaafse volgeling van Hegel en Bolland was, maar dat hij binnen de context van het redelijke denken een interessante filosofie van 'het vrouwelijke' wist te ontwerpen. Van dominee tot filosofisch onderwijzer Jan Börger werd op 5 december 1888 geboren te Rotterdam. Zowel hij als zijn broer Anton (1889) droegen de naam van hun moeder, Anna Maria Börger, die niet officieel getrouwd was. 3 Hoewel hij in zijn jeugd nog met de gedachte speelde scheepsarts of acteur te worden, meende zijn moeder, die een grote invloed op hem uitoefende, dat een theologische studie geschikter voor hem was. Op haar advies doorliep hij het gymnasium te Amsterdam en ging naar Utrecht om theologie te studeren. Daar onderging hij de invloed van de hegeliaanse filosofie zoals die door Bolland in Nederland was geïntroduceerd. Hij ontpopte zich als een begaafd denker maar had geen interesse in een academische loopbaan; liever wilde hij het evangelie gaan verkondigen. In 1914 werd hij beroepen als predikant te Vierpolders bij Den Briel. Drie jaar later ging hij naar Gouda. Zijn opzienbarende preken in de St. Janskerk aldaar werden door een aantal toehoorders weinig gewaardeerd. Hij begon zijn functie met bollandiaanse uitspraken als "Ik ben niet gekomen om voor melkvervalsers en kruideniers te preken," die natuurlijk bij velen kwaad bloed zetten. 4 Bovendien hekelde hij de hypocriete houding van de rijke boeren ten opzichte van de armen; zij zouden de christelijke leer slechts op zondagochtend belijden maar niet in praktijk brengen. In de zomer van 1925, op 14 en 28 juni, hield hij twee preken, die men juweeltjes van gnostische filosofie zou kunnen noemen. Ze gingen over de stelling 'Christus is niet aan het kruis gestorven.' Börger verstond onder de komst van Christus het tot werkelijk zelfbewustzijn komen van de mens. Zolang dit niet gebeurt, bestaat Christus niet. Christus is geen persoon maar bewustzijn. Voor vele kerkgangers ging dit te ver en er volgde een aanklacht waarin Börger een anti-Christ werd genoemd. In zijn antwoord op 5 juli moest ook de Goudse kerkeraad het ontgelden, welke hij verweet dat deze 'de geest van de inquisitie' nog niet te boven was gekomen. De protestantse kerken zouden de rede en het vrije onderzoek belemmeren, waardoor ze in wezen rooms gebleven waren. 5 Börger baseerde zijn preken en zijn interpretatie van het evangelie op de opvatting dat de vier evangeliën als onafhankelijke wijsgerige werken beschouwd moeten worden, en niet als historisch bewijsmateriaal voor kerkelijke leerstellingen. Hij benadrukte het spirituele in het Nieuwe Testament en in navolging van de hegelianen beschouwde hij het evangelie als de Rede en de Logos. Het evangelie was voor hem 'de waarheid in verhaalvorm'. In Gouda schreef Börger ook zijn eerste boek, het boven genoemde De Europeesch Christelijke wereld. Het is gebaseerd op de teksten van brochures over onderwerpen die Börger op bijeenkomsten met cursisten en leerlingen uit zijn gemeente behandeld had. Börger had namelijk een onweerstaanbare aandrift tot onderwijzen. Zoals later in Rotterdam, waar het zijn voornaamste bezigheid was, gaf hij ook in Gouda al colleges en cursussen over een grote verscheidenheid aan onderwerpen op het gebied van kunst, maatschappij, godsdienst, wetenschap en filosofie. Het grootste deel van Börgers werk bestaat dan ook uit de gestencilde teksten die van zijn cursussen bewaard zijn gebleven. In het voorwoord van zijn boek schrijft hij: De bedoeling van dit boek is niet, een kritiek te leveren op de Europees Christelijke wereld bijwijze van verwijt. ... Want zoals 't in dit boek is gezegd, ligt 't alles in de logica van 't zuivere denken en deze logica is voor iedereen hetzelfde; en zij is wensloos. Börger wijst vooral op het dubieuze Europese normbesef: De slavernij is in en door Europa tenslotte afgeschaft, om evenwel op andere wijze, namelijk als proletariaat, gehandhaafd te blijven. Verder beperkt de zedelijkheid van Europa zich vrijwel tot 't burgerlijke fatsoen. 't Geldt in Europa voor zedelijk, zijn buurman dood te concurreren; 't geldt voor zedelijk in Europa, oorlog te voeren; 't geldt voor zedelijk in Europa, zijn arbeiders, zoveel als mogelijk is uit te buiten, en wanneer 't nodig is op de straat te werpen, door allerlel trucs zoveel mogelijk afhankelijk te maken, enzovoort. En dan spreken we nog niet over handelsmoraal, en wat daar voor zedelijk doorgaat; en niet over politieke zedelijkheid en koloniale zedelijkheid. ... De Europees Christelijke samenleving is wezenlijk daadwerkelijk gewetenloos. 6 Het boek eindigt echter met een hoopvolle boodschap: Zo loopt de Europese cultuur dan tenslotte uit op het daadwerkelijk Christendom, dat wil zeggen, 't loopt uit op de Heilige drieëenheid, die als levende mens over de wereld gaat. 't Woord drieëenheid is wel goed voor wie begrijpt, dat dit woord hetzelfde betekent als Geest naar zijn zelfonderscheiding. Hiermee is tevens de kern van het denken van Börger aangegeven: het begripsmatig analytisch doordenken van de intuïtieve wijsheid en waarheid waarmee de evangeliën zijn geschreven. Börger besteedde zijn verdere leven aan de uitvoering van dit programma. De toenemende conflicten tussen Börger en zijn gemeente leidden tot een onhoudbare situatie. Börger hield de eer aan zichzelf en brak in 1928 met de kerk, waarbij hem nog wel eervol ontslag werd verleend. Tijdens zijn ambtsperiode had hij zich aanzienlijk verdiept in de geschriften van Hegel en Bolland, wat steeds meer in zijn preken tot uitdrukking was gekomen. Deze studie zette hij na zijn ontslag voort. Hij begon het hegelianisme als denkwijze - in plaats van als wijsgerig stelsel - te verkondigen en vormde zich een trouwe aanhang. 7 Als resultaat kon hij in 1931 te Rotterdam zijn eigen school oprichten, het 'Logos-Verband'. Hier onderwees hij het 'redelijke of organische denken', toegepast op een groot aantal onderwerpen. Zijn gehoor was breed van samenstelling en omvatte naast onderwijzers ook arbeiders en werklozen. Wegens zijn temperamentvol karakter - hij kon behoorlijk opvliegen - werd hij al gauw 'de onweers-filosoof' genoemd. In zijn voordrachten wees hij het gebruik van filosofisch jargon af omdat gewone Nederlandse woorden volgens hem toereikend waren om filosofische gedachten over te dragen. 8 In deze voordrachten trachtte Börger de grondgedachten uit het Griekse en het christelijke denken en uit de Oosterse en de Westerse cultuur te verenigen. 9 Hij was een mysticus, en tegelijk een strenge logicus, die in het 'vrouwelijk beginsel' - voor hem de grondslag van de werkelijkheid - het meest wezenlijke aspect van het mens-zijn zag. Centraal stond voor hem de unio mystica, de geestelijke bruiloft van de goddelijke Logos, en de mens als verwerkelijkt zelfbewustzijn: de vleesgeworden Logos (Joh. 1:14). Die gedachte had hij ook bij Plato gevonden. Deze sprak immers over het vaderland van de idee als 'het grondeloze licht'. Maar ook bij de evangelist Lucas (17:21) vond hij die gedachte terug - "Het Koninkrijk Gods is binnen ulieden" - en uiteraard bij Hegel, die stelde dat de mens allereerst de geest Gods boven en buiten zich denkt om zich tenslotte zelf deze geest te weten. Deze grondgedachte van de gnostiek, die ook bij Hegel herkenbaar is, 10 bepaalde heel Börgers denken. 11 Börger publiceerde weinig. Het grootste deel van zijn oeuvre bestaat uit gestencild cursusmateriaal, maar ook wel geschreven teksten. Naast enkele boeken liet hij in de jaren dertig alleen een aantal brochures over actuele onderwerpen als het fascisme en de Spaanse burgeroorlog verschijnen. Vele daarvan vormden de neerslag van openbare debatten, onder anderen met Anton Constandse, Jacques de Kadt en de NSB-er Cornelis van Geelkerken. Hij keek vol verwachting naar de Russische en Spaanse pogingen om, zoals hij het noemde, de gemeenschapszin, dat is het besef dat alle mensen bij elkaar horen, te verwerkelijken. Maar hij was geen partijman en op de cursussen werd niet aan politiek gedaan. Hij pretendeerde geen oplossingen voor politieke of sociale problemen te bieden; ieder moest weldoordacht zijn eigen keuzes maken. Wel richtte Börger een comité voor Spaanse vluchtelingen op, maar naar verluidt heeft de SDAP dat via de Rotterdamse gemeenteraad tegengewerkt. 12 Börger werd door zijn cursisten op handen gedragen. Voor velen was hij een evangelist van het redelijke denken en een heraut van een betere samenleving. Op zijn zeventigste verjaardag werd hij door zijn leerlingen verrast met een plechtige dankzegging. Uit zijn antwoord blijkt wat voor Börger het doel van zijn filosofie-beoefening geweest is: de verheldering die het logische, redelijke denken biedt. Wie zo denkt komt echter in een andere wereld terecht en moet de vertrouwde wereld vaarwel zeggen. Velen haten dit denken dan ook. Als alles verloren gaat in een denken, dat ik noem het logische denken, als alles daarin verloren gaat wat de mensen lief en dierbaar is, dan moeten ze dat denken niet. Wat niet wil zeggen, dat er vanuit dat logische denken niets liefs en dierbaars is. Maar wat er in deze wereld lief en dierbaar is, dat gaat verloren in een wereld, die opkomt vanuit het logische denken. En wat er in die wereld, die opkomt vanuit het logische denken, niet verloren gaat, dat is niet het lieve en dierbare, dat tot deze wereld behoort. Dat wat in die wereld vanuit het logische denken niet verloren gaat, dat gaat deze wereld te boven en te buiten. 13 Het redelijk denken kan zo heel wat verdriet opleveren: "Met het opleveren van het logische wereldbeeld, vervalt het huidige wereldbeeld." Er is dus moed voor nodig. Alleen de 'verlorenen', zij die geen vrede hebben met deze wereld, kunnen die moed opbrengen. Alleen voor hen heeft de logica zin, want langs die weg vinden zij wat hen van de onvrede met deze wereld verlossen kan. In de verkondiging van die logica heeft Börger een dankbare taak gezien. "Ik ben nu 70 jaar en ik zit al een paar dagen in dit vak. Ik ben de mens geweest, die ik ben, maar het is toch geen onaangename gedachte als ik de verlorenen iets geweest ben, waardoor zij de weg uit de onvrede, uit hun verwarring, uit hun onrust, waarin zij geboren zijn, gevonden hebben, en hun onrust, hun onvrede zijn kwijt geraakt." 14 Wiskundige logica en kennisleer: Börgers holisme De grote betekenis van Hegel en Bolland lag volgens Börger niet op het terrein van de systematische filosofie, maar in hun wijze van filosoferen. Hegel verwijst aan het slot van zijn Enzyklopädie naar de beroemde passus uit het twaalfde boek van Aristoteles' Metaphysica, namelijk het 'denken dat over zichzelf nadenkt' (noèsis noèseos). Aristoteles noemde dat het goddelijke denken. Voor Börger was dit een logisch denken, een aaneenschakeling van uit elkaar voortvloeiende denknoodwendigheden. 15 Logisch denken is geen meningsvorming. Hegel wijst erop, in zijn Phänomenologie des Geistes, dat de mening uit het wijsgerige denken weggelaten dient te worden wanneer filosofie als wetenschappelijk denken wordt beoefend. Met Spinoza, die met het dualisme van Descartes en Leibniz afrekende, vereenzelvigde Börger de begrippen God en natuur. Hij verruimt deze gedachte echter door te spreken van de vermenselijking van de natuur, want in feite is de mens als cultuurwezen de natuur voorbij. Zijn holistische invalshoek wordt dan ook niet gedekt door de gangbare interpretatie. Börger stelt ook dat het wijsgerig denken atheïstisch is, want de werkelijkheid heeft geen maker: zij is in zichzelf gegrond, zoals Spinoza stelde dat de substantie causa sui is. Bij Hegel kwam het vragend bewustzijn voor de eerste maal tot zelfdoordenking, meende Börger. Maar in tegenstelling tot Hegel, die van een leeg abstract zijn uitging, hanteerde Börger een empirisch uitgangspunt. Een begripsmatige doordenking kan alleen beginnen met een gesteld iets en niet met een lege abstractie. Börger nam zogenaamde 'energetische eenheden' als uitgangspunten die, zoals analyse aantoonde, aan de samengestelde wereld der verschijnselen ten grondslag lagen. Daarbij nam hij deze ondeelbaarheden, hun karakter en hun onderlinge verhouding als eerste gegevens. Logisch geredeneerd is er slechts sprake van deze drie grondbegrippen; alle overige zijn afhankelijke of afgeleide begrippen. Het karakteristieke van de genoemde verhouding is, dat de 'ietsen' zowel zijn verondersteld als ontkend. "Als een bepaaldheid tevens ontkenning is, dan is er beweging", zegt Börger, "dat is het meest abstracte begrip wat te denken is en betekent eigenlijk trilling op zich." In zijn wiskundige logica stelde Börger dat het mogelijk is de werkelijkheid 'uit te rekenen'. Daarvoor hanteerde hij begrippen als punt, 'het mannelijke', en lijn - geïdealiseerd in de bol - 'het vrouwelijke'. Die polaire monistische verhouding van het enkelvoudige en het samengestelde ofwel het Al, wordt verbeeld als middelpunt en bol. Vandaar dat hij opmerkt: "De werkelijkheid als wiskunde is de grens tussen begrip en verbeelding." En: "In de Griekse beeldhouwkunst zijn de meetkundige figuren als organische schoonheid uitgebeeld en geïdealiseerd." 16 Börger maakt een onderscheid tussen wat hij de mechanische logica en de organische logica noemt. Het menselijk denken beweegt zich in dit polariserende veld. In mechanische zin is het denken 'voorwaarde voor alles als bestaan, de exacte wetenschap en de techniek'. In organische zin is het denken 'voorwaarde voor alles wat menselijk is'. 'De mens is de werkelijkheid mee', is een van Börgers bekendste uitdrukkingen. De mens is dus ook de werkelijkheid als verhouding. In de 'pelgrimstocht' van de mensheid manifesteren zich de begripsmatige verhoudingen in cultureel-filosofische ontvouwing. Als evolutionair slotakkoord van de werkelijkheid houdt de mens, als cultuurwezen, alle voorgaande momenten (begrippen) in. Bewustzijn mondt uit in zelfbewustzijn. Het enkelvoudige gezien als het brein ('het mannelijke') en de samenhang in het veelvoudige ('het vrouwelijke') zijn inherent aan het denkbeeldige Al. Dit manifesteert zich als de wereld van de verschijnselen, die tevens haar ontkenning is doch omslaat in herkenning. Het denken dat zich betrekt op het Al noemde Börger het organische denken en het kenmerk daarvan is de menselijke vrijheid. Het is echter een misvatting dat de mens in de samenleving onbekommerd zijn gang zou kunnen gaan. Daar is slechts sprake van vrijheid in gebondenheid, want men dient zich aan gemaakte afspraken te houden. Alleen in de geest, vanuit het denken als daadwerkelijk zelfbewustzijn, kan de mens waarlijk vrij zijn en in begrip en verzoening zich te boven en te buiten gaan. Filosofie van het oorspronkelijk vrouwelijke Börgers belangrijkste bijdrage aan de filosofie ligt in de door hem ontwikkelde these van 'het vrouwelijke'. Hij beschouwde het als zijn 'ontdekking op het gebied van de filosofie' dat het vrouwelijke het alles bepalende is: "De waarde van de vrouw is absoluut, want wat zij is, is niet te stellen tegenover wat anders, want zij is de gehele werkelijkheid. "Het vrouwelijke was voor hem de grondslag, de werkelijkheid als zodanig waarin het mannelijke zich manifesteert als zelfwerkzaamheid ofwel denken. Börger nam van Hegel de gedachte over dat de werkelijkheid in het menselijk denken tot zelfkennis komt: "In Hegel ontrolt de werkelijkheid zich voor zichzelf, als ging haar een licht op. Dat is de logica van Hegel." Maar anders dan Hegel legde Börger er de nadruk op dat de werkelijkheid oorspronkelijk vrouwelijk is. 17 Het vrouwelijke was voor Börger de verzinnebeelding van de werkelijkheid als geheel, het aanvankelijk ongerepte, het oneindig kosmische. Het oneindig ongerepte manifesteert zich in de wereld van de verschijnselen, namelijk in het begrensde, de eindigheden, het mannelijke. Het onlichamelijke concretiseert zich dus in het lichamelijke en culmineert in het menselijk brein als bewustzijn, dat zich uiteindelijk ontwikkelt tot zelfbewustzijn. Er is dus sprake van het onbepaald zijn, het oneindige, en het bepaald zijn als het eindige. Die definiëert Börger respectievelijk als het vrouwelijke en het mannelijke. Het oneindige, het vrouwelijke, baart en openbaart zich in en aan het mannelijke, het eindige. Het mannelijke als verwerkelijking van het zelfbewustzijn weerspiegelt het vrouwelijke: microkosmos en macrokosmos vallen samen. Het vrouwelijke houdt dus het mannelijke in en is daarom dus 'maagdelijk' te noemen, want er komt niets van buitenaf bij. Voor de goede verstaander zal het duidelijk zijn, dat het begrip oneindig géén tegenstelling vormt met het begrip eindig. Want logisch geredeneerd kan er aan het oneindige, dus het allesomvattende, niets tegengesteld worden. Het begrip oneindig houdt het begrip eindig derhalve in. Het aanvankelijk gedacht onzichtbare oneindige, het oergrondelijke als het niet zijn, realiseert zich in het waarneembare eindige als het er zijn. Om geen misverstand te verwekken zij voor alle duidelijkheid nog opgemerkt dat het niet zijn te allen tijde een vorm van zijn is en blijft. Het vrouwelijke, als manifestatie van het oergegevene, dat in het mannelijke tot begrip komt, is de mens naar zijn ware zijn. Dat is het ware sexuele, in intellectuele zin. Het eindige bewustzijn als beperkte verstandigheid overstijgt zich in de daadwerkelijke zelfbewustwording van de mens. Zelfbewustzijn betekent oplossing in de dubbele betekenis van het woord, namelijk ongescheiden onderscheiden of androgenie. Het ervaart in het daadwerkelijk begrijpen de oneindige werkelijkheid als een ineen zijn. Begrijpen is de conceptie van het begrip waarin eindigheid en oneindigheid samenvallen. Vanuit de samensmelting van het vrouwelijke en het mannelijke wordt de ware mens geboren, geïdealiseerd in de onschuld van het kind. De geboorte van het evangelische Christuskind wordt door Börger beschreven als de geboorte van een goddelijk kind dat licht in de wereld brengt: de unio mystica. Börger zegt dienaangaande in zijn cursus Sprookjes van 1001 nacht: De werkelijkheid zelf, of als het niet zijn, met als inhoud het er zijn, dat is dan de vrouw. De vrouw is de voorwaarde voor de werkelijkheid als zelfwerkzaamheid en dat is de man. Dat is mijn ontdekking op het gebied van de filosofie. ... We komen hier op een terrein waar we nog nooit geweest zijn, maar waaraan ik, toen ik het eenmaal ontdekt had, inzag dat het anders was dan men ons had voorgedragen. ... Deze ontdekking leverde in ieder geval deze positiviteit op, dat ik toen ook raad wist met de Maagd Maria, die bevrucht is door de Heilige Geest, hetgeen de deur opende voor nog veel meer, want wij hadden bijvoorbeeld de oneindigheid helemaal niet als bestaan gerekend. Het mannelijke dat zich verliest in het vrouwelijke is dus een geestelijke conceptie als de doordachtheid en beleving van een verwerkelijkt zelfbewustzijn, de euforie van de platonische schok der herkenning, lichamelijk opgevat en weerspiegeld als extase en orgasme, het tijdloze moment. De onwrikbaarheid van de logische doordenking, los van het dagelijkse bestaan, is het bevrijdend element. Vanuit deze nadruk op het 'vrouwelijk beginsel' leverde Börger kritiek op de grote Bolland, die zich nooit erg positief over de vrouw had uitgelaten. Hij had bijvoorbeeld gezegd dat de Maagd Maria door de roomse kerk het evangelie ingesmokkeld was en dat de vrouw 'geen zoon van God' kon worden. Börger meende dat deze stellingen van Bolland niet gefundeerd waren. Tegenover 'het mannelijke' of de 'intellectuele lijn' Vader-Zoon-Heilige Geest stelde hij een vrouwelijke drieëenheid die hij de 'sexuele lijn' noemde: de Maagd Maria, de Heilige Geest, en de Zoon des Mensen. Hij noemde dat de polaire verhouding aangaande het 'mannelijke' en het 'vrouwelijke'. De moeder Gods is voor hem het symbool van alle wijsheid waaraan de Zoon, de weldenkende mens, zich laaft en tot het ware begrip komt. In Börgers interpretatie is de onbevlekte ontvangenis dan ook het onbezoedelde zuivere denken. Hij stelde de 'vrouwelijkheid' als 'al-gevoel' tegenover het verstandelijke en rationele denken waarin de individuele begeerte en lust domineren. Hegel sprak in dit verband in zijn Phänomenologie des Geistes van het 'natuurlijke bewustzijn' dat nog niet tot reëel weten gekomen is en trok deze lijn verder door tot het verstandelijke of 'ongelukkige' bewustzijn. De filosofie van Hegel en Bolland diende echter aangevuld te worden. Door hun accenturering van 'de intellectuele lijn' zou de filosofie louter in de abstractie van het mannelijke blijven zweven. De eenheid der tegendelen was bij Bolland niet goed ontwikkeld. Börger merkte dienaangaande op: "De sexuele lijn is blijven liggen, ik houd de hele werkelijkheid als lichaam over!" 18 Hij bedoelt hier de werkelijkheid als bestaan, als wereld der verschijnselen, dat wil zeggen het leven, dat door de levenskunst pas tot zijn recht kan komen. Dit is in feite het redelijke of organische denken waarop Börger zoveel nadruk legde: lichaam en geest zijn één. Het mannelijke en vrouwelijke vinden hun eenheid in het kind: "De eenheid [van] man en vrouw is de werkelijkheid als kind oftewel de werkelijkheid als mens". 19 Börger verwees voor deze gedachte ook naar Plato: "In het gastmaal van Plato heet de liefde het kind van hemel en aarde; ook wel het kind van armoede en rijkdom." 20 Het kind is de verbeelding van de begrijpende mens die in zijn zelfbewustzijn de ware vrijheid deelachtig wordt en de verstandelijke wereld weet te overstijgen. Het kind Jezus, als Christus geaccentueerd, verbeeldt de Waarheid in mythologische en filosofische zin. Börger verwijst hiervoor tevens naar het evangelie van Johannes en diens beroemde woord 'Logos', dat betekent woord, verhaal. Steeds zocht Börger naar momenten waarop de unio mystica tastbaar en voelbaar werd. Bolland had volgens Börger ongelijk toen hij filosofische kwaliteiten 'niet vrouwelijk' noemde; hij verloor zich in een eenzijdige intellectuele abstractie, hij dacht alleen analytisch. De rede bleef bij hem een 'mannelijke' aangelegenheid. Börger daarentegen spoorde de man aan zijn 'vrouwelijkheid', dat is geestelijke openheid, te ontwikkelen en meende dat de vrouw juist vanuit haar ontvankelijkheid synthetisch dacht. Een eenzijdig mannelijke rationele ontwikkeling legitimeert volgens Börger de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man. Het vrouwelijk en het mannelijke verhouden zich in geïdealiseerde zin dialectisch als opgeheven en bewaard gebleven, als 'zijn van een niet zijn'. In mythologische voorbeelden knoopte Börger dan ook aan bij de figuur van Protanthropos die noch man noch vrouw is. Deze figuur dient niet verward te worden met de Hermafrodite, omdat bij deze laatste de mannelijkheid en de vrouwelijkheid geen 'ineen zijn' vormen, maar blijvend geaccentueerd zijn. De veronachtzaming van het vrouwelijke kwam tevens tot uiting tijdens de Hervorming, toen de Maagd Maria - als antieke gedachte - haar belangrijke theologische functie verloor. Börger zag hierin een teken van de 'dorheid van het protestantisme'. Het is daarom niet verwonderlijk dat Börger, zoals andere mystici, veel aandacht toonde voor de extase en de sexualiteit in spirituele zin. Want zo schreef Börger, juist in de extase gaat de mens zich te boven en te buiten, hij viert de euforie van het tijdloze en eeuwige: chronos/akarana. Hij beschreef dit begripsmatig als een 'zijn van een niet zijn', een sleutelbegrip in zijn filosofie. Vanuit deze achtergrond leverde Börger natuurlijk kritiek op Freuds exclusief biologische interpretatie van de sexualiteit. Evenals deze meende hij dat de mens door en door sexueel is, maar hij breidde deze gedachte uit tot de stelling dat de werkelijkheid als geheel doortrokken is van sexualiteit. In het leven van de mens kan de sexualiteit als natuurlijk verschijnsel worden omgezet in een cultureel en filosofisch fenomeen. Börger trof deze culturele perceptie van de sexualiteit vooral aan in de Perzisch-Arabische cultuur en hij achtte de sprookjes uit Duizend-en-een- nacht daarvan een literaire neerslag: "Het gaat in '1001-nacht' niet om de vrouw, maar het is de vrouw." 21 Hij noemde de sprookjes 'het boek van de levenskunst'. Hierin is het vrouwelijke belichaamd in Sheherazade, de dochter van een grootvizier, die met haar eindeloze verhalen de sultan (het mannelijke) geheel in haar ban weet te houden. De sultan, Schahriar, had vanwege de ontrouw van zijn sultane gezworen iedere jonkvrouw, die het bed met hem deelde, te zullen ombrengen na de eerste liefdesnacht. Hij wilde de ontrouw - gezien als een cultureel fenomeen - bezweren. Echter, de opeenvolgende verhalen van Sheherazade prikkelde zijn nieuwsgierigheid zozeer dat hij haar na iedere liefdesnacht opnieuw uitstel van executie verleende. Uiteindelijk schonk zij hem drie zonen. Börger vond zijn inspiratie hiervoor bij Hegel, die in zijn Geschichte der Philosophie met een paar ontroerende zinnen op de sprookjes was ingegaan en geïntrigeerd was door het gegeven, dat de liefde in staat is een geheel koninkrijk aan de voeten van een vrouw te leggen. Hegel en ook Nietzsche spraken in dit verband van de 'bacchantische tuimel der zinnen'. Het mannelijke en het vrouwelijke behoren in de mens verenigd te worden. Het mannelijke spiegelt (verliest) zich in het vrouwelijke, ofwel de microkosmos valt samen met de macrokosmos. Dat is het ware sexuele, de mens naar zijn ware zijn, ofwel het 'ineen zijn'. Lichaam en geest geraken dus in balans, het vrouwelijke en het mannelijke gaan in elkaar over, dat is de eenheid van de androgenie. De waarheid als het vrouwelijke en het begrip van die waarheid als het mannelijke reflecteren zich aan en in elkaar. Beter is om te zeggen dat de werkelijkheid zich in zichzelf reflecteert en als ongescheiden zelfonderscheiding noch vrouwelijk, noch mannelijk is. In de Evangeliën staat de waarheid in het teken van de goddelijke liefde, wat wil zeggen dat het accent ligt op vergeestelijking van de sexualiteit. In Matth. 19:5-6 lezen we dat man en vrouw één vlees zullen zijn en dat wat God heeft samengevoegd de mens niet zal scheiden. De mens die begrijpt voegt aan het zintuigelijke een dimensie toe. Over de Evangeliën wordt veelal sentimenteel gedaan, maar de evangelische liefde is alleen naar haar intellectualiteit of sexuele spiritualiteit te begrijpen. Het thema van de vrouwelijkheid is voor Börger derhalve de sleutel tot de verbeelding van de totale werkelijkheid en haar waarheid. Als werkelijkheid is de mens sexualiteit, psyche, zelfbewustzijn en denken. Sexualiteit is namelijk de werkelijkheid voorzover zij als verschijnsel openstaat en niet bij zichzelf blijft. Psyche is de werkelijkheid, voorzover zij in zichzelf terugbuigt, en dientengevolge warmte en kleur is. Zelfbewustzijn is de werkelijkheid, voorzover zij in zichzelf terugbuigt, en dientengevolge zichzelf aanschouwt. Denken of zelfanalyse, is de werkelijkheid, voorzover zij in zichzelf terugbuigt, en dientengevolge zich in zichzelf onderscheidt dus analyseert. De ontwikkeling van de mens, als zijnde de werkelijkheid, dus als sexualiteit, psyche, zelfbewustzijn en denken, is de cultuur van de mens tot op vandaag. De vrouw en de man samen is de mens. De mens is namelijk het in zichzelf gespleten verschijnsel. De verhouding vrouw en man is dus de mens in zijn verhouding tot zichzelf. 22 Börgers beklemtoning van sexualiteit en liefde komt deels voort uit een zekere pessimistische kijk op de ontwikkeling van de eenzijdig-rationele cultuur. Börger was een maatschappijcriticus die van de toenemende egocentrische individualisering weinig heil verwachtte. Hij meende dat de mensen in de kapitalistische maatschappij uiteengedreven werden, zodat de genegenheid en de solidariteit vervlakken en misdaad en egoisme welig tieren. De strijd van allen tegen allen en de fixatie op het materiële verduisteren ieder helder inzicht. Pas wanneer mannen en vrouwen zullen beseffen dat zij samen vorm geven aan het verschijnsel mens kunnen waarheid en werkelijkheid samenvallen. De mensen spreken van plichten en rechten als twee grootheden naast elkaar. Maar het is zo: De plichten van de man zijn de rechten van de vrouw, en de plichten van de vrouw zijn de rechten van de man, voorzover man en vrouw tot elkaar in verhouding staan. Hetzelfde geldt voor de verhouding tussen alle mensen onderling. De verhouding tussen man en vrouw kan alleen dan in orde komen wanneer de man en de vrouw tot begrip en beleving komen van die waarheid: Zuivere mannelijkheid en zuivere vrouwelijkheid ineengedacht is zuivere menselijkheid. Dat is in het kort gezegd de gedachte van de Maagd Maria, die bevrucht is van de Heilige Geest, met als resultaat de Zoon des mensen, dat is de grootste gedachte, waarmee de antieke cultuur geëindigd is. 23 Börger illustreert deze denkbeelden aan de gnostici die het hadden over 'het sexeloze licht' waarin de Protanthropos zetelt, de accentloze mens die man noch vrouw is, de mens die zijn bekroning vindt in de harmonie van zijn eigen persoonlijkheid, 'een koning zonder onderdanen', de ware anarchist. Want, zo schreef hij: "De gedachte van anarchisme is ni femme, ni amie (noch vrouw, noch vriendin) en is hetzelfde als 'noch man noch vrouw'. Ze bedoelen het menselijke, de anarchisten, die gedachte houdt het dionysische in." 24 Dat is de 'versmelting', de 'bedwelming', het 'zijn van een niet-zijn', waarin het begrip tijd vervalt en het eeuwige zich manifesteert. "Dionysos is te noemen het in het vrouwelijke bevangen gebleven mannelijke. Daarom is Dionysos dan ook niet te denken buiten de roes, en als zodanig is zijn symbool de wijn voor het besef van de antieke cultuur." 25 Börger vertaalde dit beeld naar een twintigste-eeuwse terminologie. Men zou van 'spiritueel anarchisme' kunnen spreken. De gedachten en de geest zijn grenzeloos. Voor Börger is de in zichzelf reflecterende geest, die zich aan de persoonlijkheid manifesteert, daarom het hoogtepunt in de cultuur van de menswording. Volgens Jan Börger betekent anarchisme de innerlijke vrijheid van de bewustwording. Anarchisme gaat niet op in een eenzijdige theorie van maatschappelijke zelforganisatie. Anarchisme vertegenwoordigt het stadium in de cultuur van de volledige ontwikkeling van de mensheid als daadwerkelijk zelfbewustzijn, waarin het wens- en waandenken is overwonnen en de mens zichzelf regeert.
|
Deze pagina's zijn gemaakt door
ibiz webdesign ©<<b>ibiz webdesign ©
contact@ibizweb.nl