Platonisme voor het volk
In ons tijdschrift van juni en jui/augustus (2007) verscheen van de hand van Paul Hopster een uitgebreid overzicht over de ontstaansgeschiedenis van wereldgodsdiensten en wereldbeschouwingen. Zoals hij aangeeft putte hij uit de Encyclopedia Britannica, daarbij zich wel bij voorbaat verontschuldigende voor misinterpretaties. Het is inderdaad riskant om een enkele bron te raadplegen. Omdat het accent van Paul's bijdrage nogal ligt op de godsdienstige en/ofwel religieuze uitgangspunten, wil ik daarop wat nader ingaan. Mijn bijdrage is dus niet een ter discussiestelling maar meer bedoeld als een toevoeging. Anders dan Paul wil ik betogen dat godsdiensten veelal zijn voortgekomen uit geconcretiseerde opvattingen en versimpelingen van oorspronkelijke cultureel wijsgerige inzichten. Met andere woorden: Godsdienst berust op een geven van valse voorstellingen en zienswijzen. Nietzsche heeft dit al duidelijk onderkend waar hij het kerkelijk christendom karakteriseerde als 'Platonisme voor het volk'. Plato filosofeerde over het ideële land van de waarheid. Natuurlijk weet ik wel dat ook angst, als slechte raadgever, ten grondslag kan liggen aan godsdienstige opvattingen. Maar de godsdienstige verhalen hebben veelal een wijsgerige oorsprong, terwijl in de godsdienst de culturele ontwikkeling van het denken tot stilstand is gekomen, is gedegradeerd. In onze zogenaamde multi-culturele samenleving vormt de godsdienst een storende niet culturele factor waarvoor een respect tonen uit den boze is. Aan de tolerantie liggen ook grenzen van het betamelijke ten grondslag. In de geïllustreerde geschiedenis van de Westerse en Oosterse filosofie: 'De verbeelding van het denken' (redactie Jan Bor) - dat in onze biblotheek aanwezig is wordt Pauls tekstmateriaal aanvankelijk als filosofische uitgangspunt behandeld. Een voorbeeld hiervan is het Taoïsme dat Paul indeelt bij het animisme. Echter Tao blijkt onder andere te worden vertaald als 'de weg' of 'het pad'en staat in een spiritueel filosofische context. Verwarrend echter is dat in genoemde filosofische uitgave 'Taoïsme', blijkbaar naar nieuwe inzichten, als 'Daoïsme' wordt gespeld. Het zij zo. Henri Borel
Zelf ben ik in het gelukkige bezit van werken van Henri Borel, met name: 'De geest van China', 'Wijsheid en schoonheid uit China' en het driedelige werk 'De chineesche filosofie'. Henri Francois Borel (1869-1933) studeerde in Leiden voor Ambtenaar Chinese zaken en als ambtenaar en tolk was hij werkzaam in China en Nederlands-Indië. Na zijn terugkeer naar Nederland in 1913 was hij actief als journalist en literair criticus bij 'De Telegraaf' en later bij 'Het Vaderland'. Hij oogstte enig succes met de uitgaven van een paar romans, maar duurzame roem verwierf hij met zijn studies over Chinese kunst, taal, wijsbegeerte en godsdienst. Zijn vertaalwerk is eigenlijk een hoofdstuk apart. Henri Borel ergerde zich namelijk aan het feit dat de hem bekende sinologen geen notie hadden van de Chinese beschaving en cultuur en de fout begingen zich bezig te houden met de Chinese folklore en het bijgeloof. De uitwassen en verwordingen werden voor oorspronkelijke cultuur aangezien. Als vertaler kon Henri Borel dan ook moeilijk iets uit de werken van die Sinologen opsteken. De betreffende uitgaven moeten het bij Henri Borel dan ook genadeloos ontgelden. Met name Prof. J.J.M. de Groot in zijn 'Religious System of China' die zonder blikken of blozen de Chinezen vergelijkt met 'barbaren en een semi-geciviliseerd volk'. Henri Borel licht dit toe door een belangrijke Chinese schrijver Ku Hung Ming te citeren uit zijn 'Story of a Chinese Oxford Movement': 'Voor de Engelsman uit de aristocraten klasse en dit geldt ook voor de meeste Europese geleerden en zogenaamde China-kenners', "is een Chinees met smerige kleding, met een staart en een gele huid alleen maar een Chinees met een staart en een gele huid en anders niet". Een uitzondering daarentegen maakt Henri Borel (in zijn tijd) voor de voortreffelijke werken van Italiaanse sinologen Prof. Fenollosa en van Raphaël Petrucci. Deze laatste auteur heeft in zijn meesterwerk 'La Philosophie de la Nature dans l'Art d'Extrême-Orient' opgemerkt: 'De Chinese gedachte heeft eigenlijk nooit de godsdienstige fase gekend. Haar eerste poging is direct filosofie geworden'. Lao Tszè
Met zijn gedegen kennis van taal en cultuur gaat Henri Borel onder andere in zijn 'De geest van China' in op het denken van wijsgeer Lao Tszè, geboren 604 voor onze jaartelling, die op zestigjarige leeftijd zijn land de rug toekeerde en vertrok. Volgens de geschiedschrijving, op een os gezeten met onbekende bestemming 'naar het westen': waarschijnlijk Tibet. Nadien is er niets meer van hem vernomen. Wel liet hij voor zijn afscheid een kort werk in twee delen na, dat later 'Tao Teh King' werd genoemd. Lao Tszè's wijsheid is beschreven volgens Henri Borel: 'in een zeer compacte stijl, met schrifttekens, zó uit hun gewone sfeer gehaald om aparte, spirituele dingen aan te duiden, dat het voor niet-intuïtief aangelegde mensen duister, en op vele plaatsen onbegrijpelijk is'. En verder: Lao Tszè schreef niet voor geleerden, maar voor gevoelige intuïtieve mensen. In een van zijn teksten lezen wij: "Zij die Tao kennen zijn niet geleerd, zij die geleerd zijn kennen Tao niet. Lao Tszè's filosofie vertoont verwantschap met de Indiase Vedanta-filosofie der Upanishaden, een oud wijsheids-corpus ± 7e-5e eeuw voor onze jaartelling. Die verwantschap van denken is, dat de kosmos zich in de mens weerspiegelt en via zijn brein, zintuigen en gedrag tot uitdrukking en realiteit komt. De Vedanta-filosofie is een kringloopleer. We kunnen dit nalezen in het boek genaamd: 'Upanisaden. De leer van de wind. Een natuurfilosofie uit de Upanisaden'; Ingeleid, vertaald en geannoteerd door Hans Bakker. (Kok Agora. Kampen 1989). De macrokosmos die wordt gedefinieerd als Brahman, doet zich kennen in de menselijke geest, middels oog, oor en stem. De grondslag van het heelal en de mens wordt beschouwd als een geestelijk principe, metaforisch opgevat als Brahma of levensadem. Hans Bakker citeert: 'Deze levensadem is bewustzijn en bewustzijn is levensadem. Want beide wonen gezamenlijk in dit lichaam en te zamen ontstijgen zij het'. En: 'In de spiegel het spiegelbeeld, in de schaduw de dubbelganger'. TransformatiesDeze oeroude gedachte en waarheid - die helaas in de moderne filosofie als onbegrepen wordt afgewezen - vinden we ook terug in de Griekse filosofie. Te wijzen is hier op Heraclitus van Ephesus (eind 6e eeuw voor onze jaartelling) die uit onbegrip de 'duistere' wordt genoemd. In plaats van Tao spreekt hij van de Logos als bestierende ordening. Zijn denken vond zijn hoogtepunt in de westerse filosofie bij Hegel. 'Gedachten vertakken zich' heeft ooit Pythagoras (geboren ± 580 v.o.j.) opgemerkt. De gedachten in oudste Chinese geschriften, met name de 'Yih King' gaan terug tot op 5000 jaar en worden ook wel 'Chinese Heilige Geschriften' genoemd. Zoals Henri Borel aangeeft wordt 'Yin King' ook wel vertaald als het 'Boek der Transformaties'. En: 'Waarin, in symbolische voorstellingen, in een soort filosofische Algebra, de identiteit van het abstracte met het concrete wordt gedetermineerd'. Belangrijk is te weten dat de oorspronkelijke Chinese wijsbegeerte het veronderstelde goddelijk geestelijke principe nooit als een persoon heeft gedefinieerd. Henri Borel licht een van de metaforische voorstellingen als volgt toe: 'Dit (principe) wordt, evenals in andere filosofische systemen, voorgesteld door een cirkel, leeg van binnen'. En: 'Als het nog ongeopenbaarde, zéér veel overeenkomst hebbende met het Tao van Lao Tszè'. Verder: 'Het ganse Heelal is een ontwikkeling, een evolutie, in steeds wisselende transformaties, van alle wezens en dingen uit de oer-elementen Yang en Yin. Totdat het oneindige onuitsprekelijke terug is gekeerd, aan het einde van deze cyclische evolutie'. De hemel wordt vergeleken met Yang, de aarde als Yin begrepen. Overeenkomstig met deze polaire verhouding worden de Zon en de Maan als symbolen geduid: de eerste mannelijk, de tweede vrouwelijk. Yang wordt gepersonifieerd als man, Yin als vrouw. Interessant is dat Hegel de maan metaforisch en poëtisch opvat als de verheven moeder aarde: 'Het hemelse kristal'. De maan ontvangt haar licht van de zon. In zoverre is er sprake van de ideale eenheid van het Yang en Yin. De eenheid van de man en de vrouw, naar lichaam en geest, wil zeggen: noch man noch vrouw. In de werkelijke liefde is geen sprake van dominantie. Werkelijke liefde is de enige waarheid waar het in het leven om draait. Filosofisch gedefinieerd is er dan sprake van de eenheid der tegendelen. Suprême GeestDe wijsgeer Confucius (552-479) begreep Tao als het geestelijk pad, in de verbeelding van het spirituele hoofd dat beweegt en rondgaat in het Heelal. Hij plaatste zijn gedachten ook in een maatschappelijke context. Maar zegt Henri Borel: 'In de nog oudere filosofie, en in Lao Tszè, betekent ditzelfde Tao niet het spirituele Pad, maar de suprême Geest zelf, die zich in het Heelal openbaart (middels de mens) en daarin zijn Weg gaat en dit is de oorspronkelijke betekenis van Tao'. De Rotterdamse filosoof Jan Börger heeft de waarheid omtrent de werkelijkheid kwalitatief als vrouwelijk gedefinieerd. De verhouding vrouwelijk en mannelijk berust oorspronkelijk, dus begripmatig gedacht zoals in het chinese Yin en Yang, op het wezen en zijn van de werkelijkheid of kosmos. In de mensheid komt deze verhouding concreet voor de dag. De vrouw vertegenwoordigt de waarheid, de man beaamt de waarheid onder andere als schoonheid. De vrouw is inhoudelijke waarheid en schoonheid die zij baart als haar zoon. Als geliefde keert de man weer in de vrouw, de schoonheid, terug. De vrouwelijke werkelijkheid is volgens Jan Börger dan ook op zoek naar zichzelf middels het mannelijk geestelijke principe waarin zij zich reflecteert en werkelijk gestalte krijgt in de liefde zoals reeds aangegeven. Ook vanuit het begrip en de artistieke beleving geven zowel mannen als vrouwen inhoud aan hun menszijn. Dat is het waar het in de filosofie en de kunst in feite om gaat: de rest is ideologie. Henri Borel geeft deze oude waarheid die steeds weer nieuw is als volgt weer: 'Het Yang en het Yin verklaart in de Chinese wijsbegeerte de tweevoudigheid - die, wijs doorpeild, een Eénvoudigheid, een mystieke Identiteit is - Subject en Object, van uiterlijk en innerlijk, van Ik en Niet-Ik, van positief en negatief, van goed en kwaad'. Al met al is derhalve het taoïsme meer dan een animistisch gedachtegoed. Spinoza
Ik wil nu hier een volgende stap maken naar Spinoza omdat over zijn filosofie een interessant detail is te melden. Maar eerst daar waar Paul opmerkt dat in het pantheïsme sprake zou zijn van verering van de natuur. In Spinoza's filosofie is van verering zeker geen sprake, hooguit is te spreken van respect en bewondering. God of de natuur zijn voor Spinoza twee kanten ofwel aspecten van eenzelfde gegeven of zaak. De God, ofwel elementaire kracht, beweging en/of leven, van Spinoza kan niet begrepen worden als een object, laat staan als een object van verering. God dient begrepen te worden als de zelfwerkzaamheid van de natuur of de kosmos. Het onbegrensde natuurlijk goddelijke of het goddelijk natuurlijke heeft dan ook geen doel buiten zich, maar is slechts doel in zichzelf. Het zijn van de natuur of kosmos komt in de natuurlijke mens, cultureel, middels het denken tot bewustzijn. Als zelfaanschouwing is er dan te spreken van een universeel zelfbewustzijn. Derhalve heeft dit universele bewustzijn en zelfbewustzijn een ander kenmerk dan wat er gangbaar wordt onder verstaan. Want in het algemeen geldt de opvatting dat de mens als persoon zich van zichzelf bewust is, maar dan is er geen sprake van een filosofische invalshoek. Het universele zelfbewustzijn wordt door Spinoza als een derde kennissoort gedefinieerd. Dit noemt hij het intuïtieve inzichtelijke weten. Eenvoudig gesteld komt de natuur in de mens, of beter gezegd in de mensheid als natuurwezen, tot zelfaanschouwing en zelfbewustzijn. Bij nader inzien blijkt Spinoza een procesdenker te zijn, die de individuele mens filosofisch doet opgaan in het geheel. Hij definieert de gehele natuur zelfs als één individu die hij ook een derde soort noemt. De mensheid berust op een samenstelling van individuen vanwaaruit zij voor haar instandhouding bij voortduring herboren wordt. Kennis wordt dan ook van generatie op generatie doorgegeven. In zoverre is er dan te spreken van cultuur die in het teken staat van de ontwikkeling van het denken en die zich manifesteert in de filosofie, wetenschap en kunst. Iedere mens, die deel uitmaakt van de mensheid, vervult daarin zijn of haar rol. Heraclitus heeft dat reeds begrepen (nu de anderen nog) namelijk: 'De strijd is de vader der dingen'. Strijd kan in deze ook ideëel opgevat worden. Vertaling EthicaVoor geïnteresseerden is het aanbevelingswaardig de vele boeken van de hand van de eminente Spinozakenner Dr. W.N.A. Klever - oud-hoofddocent filosofie op de Erasmus Universiteit Rotterdam - te raadplegen. Vooral met name zijn 'Ethicom. Spinoza's Ethica vertolkt in tekst en commentaar'(Eburon Delft 1996). In de inleiding van dit 800 pagina's vuistdikke werk merkt de auteur op dat de Latijnse tekst van Spinoza's 'Ethica' eigelijk niet te vertalen is doch slechts te interpreteren. Zoals hij verder opmerkt is zijn (niet volledige) vertaling als een parafrase te beschouwen. De vertaalde tekst en het uitgebreide commentaar vormen dan ook te samen een onverbrekelijke eenheid van zijn vertolking. Uit zijn commentaar en verwijzingen blijkt dat het te kort door de bocht is om Spinoza een pantheïst te noemen. Want nevens zijn filosofie blijkt hij ook nog eens een modern niet te onderschatten politieke en democratische denker te zijn. Wim Klever heeft dat nadrukkelijk uitgewerkt in de opvatting en vorm van een directe democratie. Met name in zijn in eigen beheer uitgegeven boek: 'Democratische vernieuwing. In Nederland en de Europese Unie. Op historische en filosofische grondslag. Vrijstad 2003'. Inmiddels is een tweede druk verschenen. Goddelijk geslacht
Tot slot wil ik ingaan op wat ik een interessant detail noem in Spinoza's filosofie. In de taalwetenschap wordt aan bepaalde soorten van zelfstandige naamwoorden in hun verbuigingen, het geslacht vrouwelijk, mannelijk en onzijdig toegekend. Dit verleent aan het godsbegrip van Spinoza een opmerkelijk gegeven. Want wanneer het zelfstandig naamwoord God mannelijk en/of de Natuur vrouwelijk gekwalificeerd wordt, dan heeft het godsbegrip bij Spinoza een tweeslachtige inhoud en is begripmatig androgyn te noemen. In de onvolprezen vertaling van de Ethica van de classicus J.C. Logemann (1873-1947) komt dit in de voorrede van het vierde deel inderdaad tot uitdrukking: 'De grond of oorzaak derhalve, waarom God of de Natuur handelt, en God of de Natuur bestaat, is een en dezelfde. Zoals zij dus om generlei doel bestaat, handelt zij ook niet om een doel, en, gelijk ze geen begin of eindoel van haar bestaan heeft, zo ook niet van haar handelen'. Spinoza licht deze spreekwijze niet nader toe maar het blijft wel opmerkelijk. Nico van Suchtelen blijft in zijn vertaling (Wereldbibliotheek) God of de Natuur nadrukkelijk in hij vertalen. Ook in de nieuwe vertaling van de hand van Henri Krop (Prometheus Bert Bakker Amsterdam 2002) moet blijkbaar de man met de baard gered worden, want ook hij vertaalt in hij. Dat prikkelt. Toch eens kijken bij Wim Klever in zijn 'Ethecom'. Tot mijn voldoening vertaalt hij het eeuwige oneindige zijnde ofwel God/Natuur in zij. Een reden te meer om zijn volledig oeuvre aan te schaffen voor onze bibliotheek. Spinoza heeft waarschijnlijk niet kunnen bevroeden dat hij aan de onverwoestbare oude waarheid van de Yang Yin gedachte een nieuwe impuls gaf. Hij definieerde die in feite als de eenheid der tegendelen. In de werkelijkheid als organisme in het bijzonder in de mens krijgt dit gestalte in de liefde. Die is de enige werkelijke waarheid en zingeving waarin het in het leven om draait. In de filosofie speelt de liefde tot het weten haar rol. Maar die dreigt helaas in de moderniteit van de toevalligheid en godsdiensttwist onder de mom van cultuurontwikkeling ten gronde te gaan.
|
Deze pagina's zijn gemaakt door
ibiz webdesign ©
contact@ibizweb.nl